Mijn moeder en ik hadden elkaar twee jaar niet gezien. Ons gezin, mijn ouders, mijn broertje van acht maanden en ik moesten in 1943 onderduiken omdat het voor Joden te gevaarlijk was geworden.
Ik kwam na enige omzwervingen in een pleeggezin in Amsterdam. Ik was toen nog een meisje van twee jaar met blonde krulletjes. Mijn broertje van acht maanden werd in Limburg ondergebracht. Mijn ouders vonden onderdak in het midden van het land. Daar werd in 1944 mijn zusje geboren.
Mijn onderduikadres was tegenover het huis waar familieleden woonden die niet hoefden onder te duiken. Zij herkenden mij toen ik een keer met mijn pleegmoeder op straat liep.
Tegen het einde van de oorlog waren mijn grootouders van moederskant vanuit hun onderduikadres al naar Amsterdam gekomen en bij de familie ingetrokken. En zo kon mijn opa mij toen de bevrijding een feit was, ophalen.
Mijn ouders gingen op zoek naar een huis. Tot dat gevonden was, bleef ik nog even bij mijn pleegouders wonen.
Tenslotte kwam het moment dat ik mijn pleegouders en pleegbroertje verruilde voor mijn eigen ouders en mijn nieuwe zusje. Het heeft nog een half jaar geduurd voordat ook mijn broertje teruggevonden werd.
Toen waren we compleet als gezin en konden we een begin maken met het aan elkaar wennen. Dat viel niet altijd mee. En als gezin ook moesten we leren leven met het feit dat veel familieleden en vrienden niet waren teruggekomen uit de oorlog.























































































