Bij gebrek aan brandhout gingen buurtbewoners in de laatste week van april de geteerde houtblokken met beitels uit de rails van tramlijn 2 bikken. Zij schreef dit op, gedateerd 29 april 1945, voor mijn zuster Gera (genoemd in het verhaal) die ziek was. Hier wordt het eerste deel gepubliceerd:
Nu zal ik jou maar weer eens schrijven,
Een mens moet immers bezig blijven.
Terwijl ik op papa’s bed lig
Peins ik voor jou een mooi gedicht.
Samen met Gera in mamaatjes bed,
Je begrijpt dat is een reuze pret.
De stakker die aan ‘dysenterie’ lijdt,
Heeft namelijk veel te veel tijd.
Zij had in lezen heel geen puf,
Daarom ben ik gezelschapsjuf.
Nu zullen we je zonder te jokken,
De geschiedenis vertellen van de Amsterdamse tramblokken.
Misschien heb je al gehoord,
Dat de trambanen zijn vermoord.
Opdat je je ervan kunt vergewissen,
Volgen hier onze belevenissen.
Dinsdagmorgen kwamen wij welgemoed uit school,
Of we merkten op de Koninginneweg een reuze…
Daar was de melkboer met kinderen en al,
Het zijn er ongeveer elf in tal,
Met hamers, bijtels, kar en speer
Geweldig druk in de weer.
De noodkachel wou zeker niet branden
Daarom samen zij de trambaan onder handen.
Zij zwoegden en sjouwden, ze werken zich lam
De nette melkboerenfamilie uit Amsterdam.
’s Middags had het tot resultaat,
De bewoners van de Koninginneweg allemaal op straat.
Met schroevendraaiers en groentenhakkers,
Slaafden ze daar allen, die stakkers.
En wat ze elkaar niet bekibbelden en bestalen
Om toch zo veel mogelijk hout binnen te halen.
Plots werd geroepen: Juut, juut, juut!!
En ieder rende alle kanten uut.
Behalve melkboer en kar bleef niemand staan
Benevens één volle zak op de lege baan.
De landwacht had van het kwaad vernomen
En was naar het misdrijf toegekomen.
alle mensen zaten stil als muizen
Met hun blokjes in de huizen.
Maar toen het hun te lang ging duren
Kwamen velen om de deur heen gluren.
En liepen zo met blok en al,
Regelrecht in de muizenval.
Zij moesten hun hachje aan de landwacht afstaan
En konden daarna weer teruggaan
De hele mikmak werd op de wagen
Van den melkboer gedragen.
Deze moest toen, wat een pech,
het zaakje brengen, een heel eind weg.
De kar hielden zij meteen,
De melkboer kwam terug alleen.
Het hakken ging echter rustig voort
En werd slechts nu en dan gestoord.
Een agent sloofde zich erg uit,
Rende zich een ongeluk achter een schavuit.
Gaf de jongen zo’n schop, dat hij met een boog,
Dwars over de trambaan heen vloog.
Tot spertijd hield het grapje aan,
Die dag was het met de rust gedaan.

























































































