65 Jaar Bevrijding

Lettergrootte:    
Gemert, najaar 1944
1944, Gemert
In de lege voorkamer van ons ouderlijke huis in Gemert, Oost-Brabant, zit ik in een hoge kinderstoel. Met een erge zweer aan mijn linkerbeentje is dat beter. En zo kan ik fijn naar buiten kijken. Naar Canadese soldaten en Schotten die langskomen, en die soms zwaaien. De vorige soldaten deden dat niet.

Van links komt in de stromende regen een troep haveloze soldatenjongens in beeld, met de handen in de nek. Dat zijn geen Canadezen, dat snap ik wel. Het zijn die anderen, ze gaan naar huis denk ik. De straatweg zit vol kuilen. Om hen heen een paar bewakers, de Canadezen, het geweer schuin omlaag. Achter de optocht zo’n  rare auto, wielen voor en rupsbanden achter. Die gekke auto stuitert in een gat in het wegdek, geeft ronkend een dot gas en schiet vooruit. Rijdt van achteren over een stel van die jongens heen, met hun handen in de nek. Ik hoor geschreeuw door de ramen heen. Met mijn soldatenpoppetjes doe ik dat ook zo. Dat ze omvallen.

Mijn moeder stormt de voorkamer in, slaat haar arm van achter om me heen, rukt me uit de stoel en laat me zo op de vloer vallen. Ik was nog geen drie jaar oud. Er is nooit een woord over gezegd. Ik heb het altijd geweten. Pas  rond 1980, mijn moeder was weduwe en praatte makkelijker, heb ik het haar gevraagd. Het klopte, zei ze.

1947. Mijn vader heeft een kleine vrachtwagen overgenomen van de Canadezen, een ding met hoge wielen en met heel veel krakende versnellingen. De knecht rijdt daarmee, maar pa wil dat zelf ook eens proberen. Van achter hetzelfde raam zie ik hoe mijn vader in plaats van vooruit onstuitbaar achteruit gromt en de tuinmuur omver ramt. Dat doe ik op de grond na, met de soldaatjes natuurlijk. 

1949. Ik ben zeven jaar oud. Ik ontdek toevallig een fotootje in een zilveren lijst van een baby in een gevoerd kistje. Ik weet meteen, maar nooit van gehoord: dit is mijn tweelingbroer. Wat moet je als jongetje met een geheime althans verzwegen dode tweelingbroer? Niet over praten, dat geeft maar verdriet.

Veel later heb ik achterhaald dat hij in 1942 overleed, na zes maanden aan difterie te hebben geleden. De bezetter had alle medicijnen meegenomen voor het Oostfront. De besmetting was meegekomen met Nederlandse kinderen uit Oostenrijkse bleekneusjeskampen.

In die laatste gesprekken met mijn moeder vroeg ik ook, wat het ergste van de oorlog was geweest. Na twee zuchten zei ze: dat we niet wisten hoelang het zou duren. Voor mij verklaarde dat waarom een dood kindje toen heel anders was dan nu.

Ik ben door deze twee voorvallen een oorlogskind. 4 mei gaat ook over mijn tweelingbroertje en (volgens mij) over die overreden Duitse jongens.

 
Tijdlijn
  • 1940
  • 1943
  • 1944
  • 1945
  • 1946
  • 1930 - 1939
  • 1940 - 1949
  • 1950 - 1959
  • 1990 - 1999
  •