‘Het is Vrede. Wat er precies gebeurd is, weten we nog niet, maar op 24 augustus heeft de kampleidster, mevrouw Van Neuren, gezegd dat de strijd gestaakt was, dat we moesten wachten op het bezettingsleger en zolang kalm hier moesten blijven.
Vanaf 15 augustus hebben we het zien aankomen. Ik lag in de achtertuin met een rustattest van de dokter, toen ineens een meisje kwam aanhollen die riep: ‘we krijgen 400 gram rijst per dag (…) en ‘Flappie’ (een Japanner, red.) loopt met een spierwit gezicht rond.’ We hadden net zo’n vreselijke honger gehad. 400 gram betekende iets geweldigs. (…)
Wanneer gaan wij eruit en waar en hoe zal ik mijn lieve man terugzien! O, dat weerzien na 42 lange maanden, wat zal dat onmetelijk heerlijk zijn! (…) Geen vrouwen, geen gaarkeuken, geen wasplaats meer (…) Ik heb alsmaar visioenen, van ’s morgens vroeg op, rustig in huis lopen, alles slaapt dan nog en ik maak de havermout, chocola en koffie voor de rest. O, ik wil nu die gedek (omheining van het kamp van bamboe met prikkeldraad, red.) uit, ik wil naar huis!
We hebben zo’n moeilijke tijd gehad (…). We voelden ons met de dag aftakelen, ik kan haast niet meer. Allemaal hadden we knikkende knieën en duizelingen. Maar goddank, dat is voorbij. Geen appèl meer, niet meer dat stomme Kiotseke-kiere-naore-bacare (liedje dat voor de Jappenners moest worden gezongen, red.). (…) We zijn vrij, nu nog de poorten open en naar mijn liefste toe. O geen kamp meer.
29 augustus
We mochten ineens naar de mannen schrijven! Allemaal één tekst.
31 augustus
Koningin’s verjaardag echt gevierd (…) Enig was het vandaag! Oranje, overal oranje. Met al die huiszoekingen en fouilleringen van de koffers, hebben de Nippen toch nooit al dat oranje gevonden. De kinderen waren zo snoezig, allemaal keurig gekleed, sommigen op klompen, anderen op blote voeten, weer anderen met echte schoenen – drie jaar lang bewaard in de koffer. Heel wat traantjes zijn gelaten, toen voor het eerst weer het ‘Wier Neerlands bloed’ klonk. Het Wilhelmus mogen we pas zingen als het officieel is.
7 maart 1946
Wat is alles anders gelopen dan we gedacht hadden. Nu na 7 maanden ‘vrede’ zitten we nog in kampverband, al is het dan ons eigen huis. Nog steeds ontvoeringen, moorden, vechten. Toen in aug-sept het bezettingsleger niet kwam, was het mis, en hebben de Jappen hun laatste troef gespeeld: de Indonesische bevolking ophitsen en hun wapens aan de inlanders geven. (…)
De ontmoeting was natuurlijk heel anders dan je je voorgesteld had. Op 3 oktober liet Willy ’s morgens pisangschillen op m’n hok liggen. Ik ga woedend naar buiten met de schillen in mijn hand, hard om Willy brullend, en stond ineens tegenover Tof, die net zo wit zag als ik. Ik kan niet beschrijven wat ik voelde toen ik opeens dat gezicht terugzag, waar ik zo vreselijk naar verlangd heb al die tijd. Janny herkende hem direct, Rink zei: ‘o, dat is die mijnheer van het portret’ en Willy zei: ‘wie is die mijnheer, mam’, waarop ik ze beleefd aan elkaar voorstelde!!
En nu pappie weet wat die drieënhalf jaar betekend hebben met de kinderen, word ik zalig verwend. Als ik ’s morgens opsta, is de koffie voor ons en de chocola voor de kinderen al klaar.’
Niet alleen de uitgestelde vrijheid is een bittere teleurstelling voor de familie Arnold. Intussen zijn ook berichten uit Europa binnengedruppeld. De ouders van Claartje zijn als joden weggevoerd en niet teruggekeerd uit de concentratiekampen. ‘Wat erg dat jullie die lieve opa en oma nooit meer zullen zien. Die hebben de Moffen vermoord, de beesten!’


























































































