Ze kwam uit een arm boerengezin en ging in 1928 in Nederland werken in het huishouden van een welgestelde familie.
Na vier jaar vertrok ze naar Amsterdam, waar zij vier jaar werkte voordat ze een koffiehuis huurde en voor zichzelf ging werken. Maria had daar een zeer moeilijke tijd. Een vriendin hielp haar toen aan een baan in Driebergen, maar de moeilijkheden hielden aan. Haar toenmalige man heeft er nog voor gezorgd dat ze door de Ondergrondse opgejaagd werd als ‘Duitse hoer’. Uiteindelijk zat Maria voor vijf maanden in de gevangenis in Utrecht.
‘Ik dacht waanzinnig te worden. Ik heb zo verschrikkelijk geschreeuwd dat ze zeiden dat ze me naar een gekkenhuis zouden brengen. Dat kan niemand zich voorstellen: onschuldig opgesloten met vijf vrouwen in één cel. Na vier maanden had een vrouw (Gefängniswärterin) aan een vriend geschreven of hij wasgoed kon sturen. Alle ondergoed was kapot, ik had iedere dag hetzelfde mantelpakje met blouse aan.
En zo kwam ik er uit. Hij had me niets gestuurd en geschreven dat ik kon verrekken. Toen ik jou afhaalde en je mij zag, schrok je en liep je uit angst van me weg.
Ik heb de uitdrukkingen vergeten maar het klonk verschrikkelijk. “Maak dat je wegkomt anders sla ik je kapot,” enzovoorts. Ik heb veel meegemaakt, er bestaat geen gerechtigheid. Ik ben begonnen te bidden, de lieve God overal gezocht: in het bos, in de kerk, maar niet gevonden. Geen mens heeft mij geholpen.
Je halfbroers haten me nog. Maar als je zo opgestookt wordt kan het ook niet anders. Lieve Richard, jij begrijpt het, dat ik er niets meer van wil weten en mijn rust wil.
Je innig liefhebbende Mutti’
























































































