Maar we hadden een strenge, voorzichtige vader en we moesten binnen blijven. We woonden in de wijk Stratum, gelegen ten zuiden van het centrum van Eindhoven. Ons huis grensde aan een verhoogd gelegen oude glasstortplaats van Philips, met schraal gras begroeid. Tussen deze wei en ons huis lag een braakliggende strook van ongeveer 20 meter begrensd door hoog opgeschoten ondoordringbare braamstruiken en lage wilgen.
In de ochtend zag ik daar figuren bewegen, half kruipend en in gebukte houding. Het bleken drie moffen in uniform met geweren in de aanslag. Ze kwamen uit de braamstruiken te voorschijn en verdwenen razend snel. Waar waren ze gebleven? We hebben er niets meer over gehoord. Maar ik bleef de rest van de dag wel braaf binnen.
’s Avonds werd omstreeks zes uur gegeten. Het was mooi weer en onze moeder kookte buiten aardappelen op een ‘allesbrander’.We wilden juist aan tafel gaan, toen we een vreemd monotoon geratel hoorden. Er waren nog geen asfaltwegen, de straten bestonden uit forse granieten keien. We stormden de straat op. Het eerste wat we zagen was een ‘jeep’! Mijn broer had ’s morgens nog een Duitse tank voorbij zien rijden. Op de vlucht. Nu denderden enorme tanks met Engelse en Canadese troepen over de Aalsterweg Eindhoven binnen. We waren bevrijd!
Het was adembenemend. De bewoners uit de buurt stroomden toe en juichten, zwaaiden en huilden van geluk. De verbaasde bemanning in de tanks wuifde terug. Er leek geen eind te komen aan de lange stoet tanks en militaire voertuigen.
We bleven op straat die avond, stralend en nog een beetje ongelovig over de bevrijding. We wensten juf Lena van harte geluk, die ondergedoken was bij onze overburen: zij mocht weer op straat! Ik had het vreselijk gevonden dat onze juf Bep vlak voor de bevrijding bij ons weg moest naar een adres buiten Eindhoven vanwege kans op verraad. Ik maakte me grote zorgen om haar. (Het is goed afgelopen).
De eerste dag van de bevrijding 19 september verliep vrolijk. De bevrijders bivakkeerden op de Aalsterweg, er werden sigaretten, chocola en blikjes corned beef uitgedeeld. Wij konden met trots het zinnetje uitspreken dat onze ouders maanden te voren met ons gerepeteerd hadden : ‘We are very glad to see you’.
Aan het eind van de middag meldden zich zomaar twee echte Amerikanen in camouflage-uniformen met opgevouwen parachutes onder de arm bij ons huis. Mijn moeder bood hen koffie, thee en een warm bad aan. Ze waren doodop en gingen op de grond zitten omdat zij zichzelf te vuil vonden voor een stoel. Waar zij vandaan kwamen: wij hadden er geen idee van. Helden waren het voor ons!
Een moment later zagen we totaal onverwacht vuurvlammen en rode ballen in de lucht. Mijn moeder, in de euforie van de bevrijding, riep enthousiast: ‘Bengaals vuur!’. Als pijlschichten vlogen de beide Amerikanen het huis uit, de parachutes achterlatend. Wij verscholen ons in de schuilkelder die mijn broer en ik in 1944 hadden moeten graven in de tuin.
Toen we onze schuilplaats verlieten, stond tot onze verbazing ons huis en zelfs de hele straat er nog. Maar de grote vreugde was omgeslagen in diep verdriet. Veel dodelijke slachtoffers, veel puinhopen. Een aantal legervoertuigen in de straten was getroffen, waardoor ook na het bombardement nog veel ontploffingen plaatsvonden.
Eindhoven was bevrijd, maar we rouwden.























































































