Via Amersfoort belandde hij in het Oranjehotel in Scheveningen. Voor het ondergrondse werk en de hulp aan Joodse mensen vond men geen bewijs. Mijn vader had dat wel gedaan, maar het lukte hem om dat op geen enkele manier toe te geven.
Het niet melden als krijgsgevangene was gewoon een feit dat niet te ontkennen viel. Toen ik zes weken oud was werd hij als krijgsgevangene op transport gesteld naar Duitsland. Op het station van Hengelo, waar mijn moeder naar toe gegaan was, zag hij mij voor het eerst. Het zou bijna anderhalf jaar duren voor hij terug kwam.
Toen Rijssen bevrijd was begon voor mijn moeder het hoopvolle wachten op de terugkomst van mijn vader. Ze wist niet veel van hem, alleen dat hij ziek was. Ze had vrij regelmatig brieven gekregen, maar de laatste tijd niet meer.
Er kwamen Canadese bevrijders. Zodra mijn moeder maar hoorde of vermoedde dat er weer Canadezen aankwamen, nam ze mij mee om te kijken of ze misschien mijn vader mee hadden gebracht of dat ze op een andere manier iets van hen te weten kon komen over krijgsgevangenen uit Duitsland. Ze kreeg steeds nul op het request.
Een keer stonden we voor de drogisterij te kijken naar de Canadezen. Mijn moeder kreeg van een Canadees die haar ook niets nieuws kon vertellen een reep chocola. Ze stopte een stukje in mijn mond en zei: ‘Dat is heel lekker! Eet maar op’.. Ik spuugde het op de grond, want ik vond de onbekende smaak heel vies. Mijn moeder snapte er niets van. Chocola was één van de dingen die ze echt gemist had . Honger was er niet geweest in Rijssen tijdens de oorlogsjaren, maar luxeartikelen als chocola waren er natuurlijk niet.
We gingen nog heel wat keren kijken. Op de foto staan we bij de boom. Het meisje met het witte jurkje ben ik. Mijn moeder had van een parachute die mijn vader na de eerste oorlogsdagen meegebracht had voor mij een jurkje gemaakt. Ik mocht dat aan als papa terugkwam. Ik weet het niet, maar ik denk dat ze me elke keer als we gingen kijken naar de Canadezen dat jurkje aantrok.
Toen alle Canadezen weg waren, was mijn vader nog niet terug. Maar mijn moeder liet de hoop niet varen en de moed niet zakken. Ze bleef geloven dat hij terug zou komen en ze had gelijk.
Weken later stopte er een Rode Kruis auto voor de deur. Mijn moeder stond te strijken. Er stapte een broodmagere man uit. Ze kon haar ogen niet geloven, maar wist meteen dat dat mijn vader was. Hij was doodziek. Hij lag in een ziekenhuis in het oosten van Duitsland toen de Russen daar kwamen bevrijden. Mijn vader zag er nogal 'Arisch' uit: blauwe ogen, blonde haren. Hij was bang dat hij voor een Duitser aangezien zou worden door de Russen. Met hulp van een Duitse wasvrouw is hij gevlucht uit het ziekenhuis. Hij heeft kilometers gelopen en is op een gegeven moment opgepikt door Amerikanen die voor vervoer naar Parijs gezorgd hebben. Daarvandaan is hij uiteindelijk naar Eindhoven gevlogen en door het Rode Kruis thuisgebracht. De bevrijding was toen al weken oud.
Op 31 augustus, toen Koninginnedag, was hij zover aangesterkt dat hij met mijn moeder en mij naar de feestelijkheden bij de Pelmolen in Rijssen kon wandelen. Ik in mijn witte parachutejurk tussen mijn ouders in. Dat was voor mijn moeder de echte bevrijding!
Op 9 juni 1946 overleed mijn vader in het militair hospitaal in Utrecht ten gevolge van de ontberingen tijdens het slavenwerk in het krijgsgevangenkamp STALAG IVB.























































































