Ja, na lang wachten kwam ze. De Canadezen. Jammer, maar je zag ze haast niet, want die open legervrachtwagens waren beladen met allemaal jongelui. Vlak voor ons neus was er een kleine opstopping.
We keken elkaar aan. Doen? Ja, we werden ook op een auto gesjord. Ik kwam terecht tegenover (in mijn ogen) een oude soldaat. Hij glimlachte vermoeid. Ik glimlachte terug. Toen pakte hij een klein roosje uit zijn knoopsgat en gat het aan mij. We reden door Amsterdam, juichend en zwaaiend naar de drommen mensen aan de kant.
We stopten in West, aan het randje van de stad. We moesten uitstappen, want het zou in volle vaart naar Haarlem gaan. Het was stil geworden op straat. De mensen waren moe geworden van het staan en hadden honger gekregen. Ze waren naar huis gegaan, waar misschien nog wat Zweeds brood over was.
Nu moesten we dat eind lopen. Trams gingen niet en we hadden trouwens ook geen geld bij ons. Voor mijn late thuiskomen had ik al een paar smoesjes bedacht, maar mijn moeder vroeg niets. Alles was anders!
Ik heb haar nog wel een keer tegen iemand horen zeggen:’Mijn dochter zou nooit op zo’n wagen geklommen zijn!’ Ik heb het haar nooit verteld. Het roosje heb ik nog wel twintig jaar in mijn dagboek bewaard.
Er bestaat een aanplakbiljet, bruin van kleur, met een volgeladen legervrachtwagen erop, gefotografeerd op de Amstellaan. Er staan ook enkele regels van de dichter J.C. Bloem (1887 – 1966) op.
Jammer mijn vriendinnetje en ik staan er niet op!























































































