65 Jaar Bevrijding

Lettergrootte:    
Een stille straat in Goes
10-1944, Goes
Het is begin oktober 1944 in een stille straat in een buitenwijk van Goes. De avond valt en er is niemand op straat. Dat zou onverstandig zijn.

Er is door de Duitsers een uitgaansverbod vanaf 19.00 uur afgekondigd. Het zijn de weken dat in Zuidwest-Nederland van de Duitse Ordnung steeds minder over is. Als katten in het nauw maken zij, op van de zenuwen, soms rare sprongen. Het is maar het beste om zo min mogelijk op te vallen, en zeker niet te provoceren, denken de mensen.

In een voortuin in die stille straat spelen twee jochies na het eten nog buiten. Spelen ze oorlogje, klimmen ze in een boom, wordt er geknikkerd, we weten het niet. Hun ouders, die in huis zijn, hebben hen op het hart gedrukt om de tuin niet te verlaten. Maar ja, jochies en een stille straat… Als de kerkklokken niet geroofd zouden zijn, sloeg het nu zeven uur.

Een eindje van hun huis verwijderd zijn ze inmiddels, als er twee sinistere gestalten naderbij komen. Nog voor de jongens er erg in hebben staan er twee Duitse soldaten voor hun neus, behangen met allerlei tassen en ransels, het geweer over de schouder. De jongens kijken daar nauwelijks nog van op. In de loop van de oorlog hebben ze al honderden soldaten zien komen en gaan.

In vrijwel elk huis zijn soldaten ingekwartierd geweest. Nadat de voorkamer was ontruimd en er een bed en wat meubilair was neergezet, konden enkele soldaten er weken of maanden vertoeven. Met sommige soldaten zijn jochies vriendschappelijk omgegaan, maakten zij zelfs grappen. Met het keren van de Duitse kansen vanaf 1943 behoren die goede verhoudingen tot het verleden.

De twee Duitse soldaten waar de jongens nu tegenaan zijn gelopen, lijken weinig op de gemoedelijke Duitse jongens die ook maar gestuurd zijn. Deze maken een doodvermoeide, onverschillige indruk, of zouden ze stomdronken zijn? De jongens gaan dicht bij elkaar staan, angstig voor de dreiging die van de soldaten uitgaat. Een van de hen vraagt:  ‘Einquartieren?’ Meteen komen de jochies in beweging, aan dat verzoek kunnen ze gemakkelijk voldoen. Sommige huizen in de straat staan immers leeg. Daar kan dit onheilspellend tweetal prima onderdak voor de nacht vinden, zonder dat bewoners last van ze zullen ondervinden.

Bij een dergelijk huis gekomen, maken de jochies aanstalten om stilletjes weer terug naar hun ouders te gaan. Een van de twee soldaten verhindert dit echter, en hij vraagt hoe laat de jongens binnen moeten zijn. Geïntimideerd door de Duitser zegt een van de jochies met een klein stemmetje: ‘Zeven uur’. De Duitsers kijkt op zijn horloge, ziet dat het tien over zeven is, en laat zonder iets te zeggen meteen daarop zijn karabijn van zijn schouder glijden. Het oudste jongetje geeft zijn broer een stomp, brult: ‘rennen’.

Meteen sprint het tweetal terug naar huis. Achter hen horen ze het geluid van een geweer dat wordt ontgrendeld. Een fractie van een seconde nadat ze de hoek van hun huis omgegaan zijn, doorbreekt een enkel schot de stilte in straat. Bevend van schrik vliegen de kinderen hun huis binnen, waar ze hun beide ouders in de armen vallen. Vader en moeder hebben het schot natuurlijk ook gehoord. Dolblij zijn ze dat ze hun kinderen ongeschonden in hun armen kunnen sluiten. Misschien wel tien minuten staat het viertal zo in de donkere gang, het gehoor tot het uiterste gespitst om te luisteren of het geluid van Duitse soldatenlaarzen naderbij komt. Dat is gelukkig niet het geval. De ervaring van te moeten rennen voor je leven blijft de jongens hun hele verdere leven bij.

Verteller Jan Verbeemen, opgeschreven door Frank de Klerk.

 
Tijdlijn
  • 1940
  • 1943
  • 1944
  • 1945
  • 1946
  • 1930 - 1939
  • 1940 - 1949
  • 1950 - 1959
  • 1990 - 1999
  •