‘s Ochtends waren we met wat koffers naar station Haarlem gelopen. Ik droeg een schoudertas met wat speelgoed. Mijn moeder had er nog de Borselino-hoed van mijn vader bovenop gedrukt. Die verloor ik steeds en kwam dan, door het oprapen, achteraan. Ik barstte in tranen uit. ‘Houd je flink, de mensen kijken’, zei mijn moeder.
We konden ons nog in een trein naar Amsterdam wurmen. Op het Centraal Station was het een heksenketel. Overal mensen en veel bagage. Als er een trein vertrok, hingen er trossen mensen aan de portieren.
Toevallig troffen we een bevriend gezin. Er werd druk overlegd waar we heen zouden gaan. Het werd de nachtboot naar Lemmer. Tegen de ochtend kwamen we aan. Vandaar gingen we per stoomtrammetje naar Groningen. De eerste maanden brachten we door in een hotel. Toen weer iets naars: ik moest naar school. Daar werd ik snel herkend als ‘NSB-jongen’. Ik kende het woord ‘outcast’ toen niet, maar ondervond het totaal.
Mijn vader had inmiddels een administratief baantje gekregen bij de Ortskommandantur. In een buitenwijk kregen we een klein arbeidershuisje toegewezen. De oorspronkelijke bewoner was een stakende spoorwegman, die met gezin was ondergedoken. De buren hielden ons op afstand.
De militaire situatie stemde ons niet vrolijker. 's Nachts hoorden we het gebrom van zwermen overvliegende bommenwerpers, richting Duitsland . Zou het ‘Geheime Wapen’ nog wel op tijd komen? Het front kwam langzaam maar zeker dichterbij. Begin april 1945 was het gedreun van geschut al hoorbaar. Beklemmend.
Een paar dagen later werd er in de binnenstad gevochten. Iedereen moest binnen blijven en ramen en deuren gesloten houden. Plotseling een kort gefluit en dan een dreun, die het huisje deed schudden. Kennelijk was een afzwaaiende granaat vlak bij ons neergekomen. We zagen al groepjes geallieerde soldaten vlak langs de huizen lopen. Dat waren ze dus! De gevechten duurden een paar dagen. Langzamerhand gingen er toch mensen de straat op.
Het was alsof we in het luchtledige leefden. Hoe zou het verder gaan? In een film zou er sombere muziek zijn gespeeld. Er kwam steeds meer volk op straat. Er werd aangebeld. Een paar mannen , met een oranje band om de arm, bedreigden mijn vader met een pistool. Hij moest mee. Mijn moeder wrong zich voor hem. Er werd geschreeuwd , geduwd en gescholden. Nu verzamelden zich meer mensen voor onze deur. Ik vluchtte de huiskamer in en dook onder de tafel. Even later zag ik hoe mijn vader met de handen in de lucht werd afgevoerd. Mijn zus holde er huilend achteraan, maar werd tegengehouden. ‘Die zie je nooit meer terug’, werd haar gezegd.
Wij glipten later met wat koffers het huis uit en vonden onderdak bij een bevriend echtpaar. Naderhand hoorden we hoe het met mijn vader was gegaan. Hij werd met een paar andere opgepakte mannen een paar uur schijnbaar doelloos voortgedreven. Toen kwam de groep bij een Canadese commandopost. De aanvoerder van de mannen met de oranje armband droeg ze over aan een officier, zeggende dat het sluipschutters waren en geëxecuteerd moesten worden. Mijn vader was de enige van de gevangenen die Engels verstond en mengde zich in het gesprek: leugens! De Canadese officier bekeek het armzalige groepje en geloofde mijn vader. Ze moesten in een tent gaan zitten en horloges, geld en ringen afgeven. Die nacht konden ze zien hoe hun Canadese bewakers pokerend hun bezittingen verdeelden. Als ik nu nog iemand spreek die zegt Canadees te zijn, kijk ik altijd even of hij de ring met ons familiewapen draagt.
We doorstonden alles. De bezittingen gingen verloren, maar de herinneringen konden ze ons niet afnemen. Jammer.























































































