In de late zomer van 1944 woonden we er met z’n drieën - onze stiefvader was in april 1940 op een koopvaardijschip uit Rotterdam vertrokken. Mijn zus en ik (22 en 20 jaar oud) zouden in september onze opleidingen in Arnhem voortzetten. Dagelijks luisterden we naar Radio Oranje. De vreugde over de landingen in Normandië die veranderde in ongeduld over de trage vorderingen van de geallieerden.
Het in onze ogen nutteloos afwachten en een moeder in ’t ongewisse over ’t lot van haar man: de stemming werd er niet beter op. Geen pais en vree in het heidehuisje! Eigenlijk gaf moeder, zonder het te weten het startsein voor ons vertrek. Ze flapte er gemakkelijk van alles uit. ‘Dat we iets moesten doen!’ Voor een van die spontane uitlatingen met een anti-Duitse tekst had ze in de zomer van 1943 al eens een week vastgezeten in het Oranjehotel in Scheveningen.
Voor mijn zus en mij betekende het: de daad bij het woord voegen. Op 13 september 1944 zijn we uit Lunteren vertrokken. We hadden twee goede fietsen voorzien van drie tuinslangen en een echte luchtband.
Onze moeder was die ochtend boodschappen doen. Ze vond ons briefje op de keukentafel: ‘We zijn de geallieerden tegemoet. Ons bedje is gespreid voor eventuele hulpbehoevenden’. Twee dagen erna heeft ze van ons nog een kaartje uit ’s-Hertogenbosch ontvangen. Daarna was er geen contact mogelijk geweest; de mislukte slag om Arnhem had ons land in tweeën gesplitst.
Na veel omzwervingen waren we vier dagen later in Wessem waar een man in een roeibootje ons over de Maas zette. Het was bijna acht uur en vanwege spertijd hoog tijd om onderdak te vinden. Kanongebulder vanuit het zuiden klonk niet bemoedigend.
Het gerucht ging dat de Duitsers zich hadden teruggetrokken en alle bruggen over het kanaal achter zich hadden opgeblazen! Hoe zat dat geografisch? Gelukkig bracht een plattegrond van Limburg in een etalage uitkomst. De enige hindernis was de sluis in Maasbracht. Die werd streng bewaakt en niemand kon er overheen. Zei men.
Maar dat soort waarschuwingen vielen meestal mee. Ook nu weer. De enige soldaat ter plekke had geen interesse in onze identiteitskaarten en fietsen.
Dus, zo staken we over naar ... Niemandsland! In Roosteren en Stevensweert waren veel mensen op straat en op de dijk. Tientallen schepen lagen vast in de geblokkeerde haven. Iedereen in afwachting. Het kon niet lang meer duren. In Grevensticht fietsten we de bevrijding binnen!
De vlaggen hingen uit, de Nederlandse driekleur! Iedereen in uitbundige feeststemming. Toen wisten we het zeker. Mijn zus en ik vielen elkaar in de armen, het was gelukt! Het was 17 september 1944, ongeveer negen uur ’s ochtends. Maar we bleven er niet.
De volgende dag gingen we vroeg op pad. De weg naar Maastricht was uitgestorven. Ook geen kanongebulder. Was de strijd gestreden?
Ondanks onze vreugde over de bevrijding hadden we nog geen bevrijder gezien. Dan ineens, een jeep met twee Amerikanen. Ze stopten en we hebben ze uitbundig bedankt en omhelsd! Over onze tocht waren ze onder de indruk. ‘Tell your stories at the headquarters.’ Dat hebben we gedaan, in Maastricht. Het Vrijthof was tjokvol. Iedereen was in juichstemming.
Moeder, gelukkig gezond, zagen we weer in april 1945. Ze had die winter een Russische onderduiker verborgen.
Fragmenten uit het dagboek van Jen Hellendoorn























































































