Het was zaterdag 5 mei 1945 en het werd een dag met vele belevenissen voor een kleine jongen. Zo’n dag die je je hele leven bijblijft. Wanneer ik aan die wonderlijk, mooie dag en de eerste dagen daarna terugdenk, buitelen vele herinneringen over elkaar heen. Maar bovenal staat daarbij die bijzondere ervaring centraal die ik, na daartoe te zijn aangespoord door mijn moeder, beleefde bij het verlaten van het portiek van ons huis aan de Amsterdamse Bredeweg.
Wat ik zag, was een overweldigende hoeveelheid rood, wit en blauwe vlaggen. Schitterend en ontroerend. Wat een belevenis, zeker voor iemand die nog nooit in zijn leven bewust had gezien dat er werd gevlagd. Praktisch huis aan huis wapperden de vlaggen in onze straat. Een zee van vlaggen. Meestal de Nederlandse driekleur soms vergezeld door een oranje wimpel. Ik liep naar de hoek van de straat, naar de Linnaeuskade en nog ietsje verder naar de Middenweg en de Linnaeusstraat. Overal zag ik vlaggen, steeds meer en meer, in allerlei soorten en maten.
Zo wapperde er in mijn kinderogen een heel grote op het kantoor van de nabij gelegen vestiging van de stadsreiniging. Waarschijnlijk was die vlag, de standaard vlag die bij alle gemeentelijke gebouwen werd gebruikt, helemaal niet zo erg groot.
Thuisgekomen viel het mij toch tegen dat wij geen vlag hadden. Zelfs geen heel klein vlaggetje viel er te bespeuren. Pas veel later begreep ik dat het in de kring van Amsterdamse linkse onderwijzers, waartoe mijn ouders behoorden, niet gebruikelijk was om het rood, wit en blauw uit te steken. Bij de S.D.A.P. was men niet zo rood, wit en blauwachtig.
Toch zou er op die gedenkwaardige 5 mei 1945, waarschijnlijk mede door mijn gezeur, bij ons ook een vlag komen. Mijn moeder maakte hem zelf op haar naaimachine. De afmeting was hooguit 40 x 50 cm.
De rode baan werd gemaakt van de effen rand van een gebloemd tafelkleedje, de witte was afkomstig van een oud beddenlaken en de blauwe werd, geloof het of niet, gefabriceerd uit een stuk van moeders rok.
Het vinden van een stok om de vlag aan vast te maken, was waarschijnlijk nog het moeilijkste onderdeel van het hele project. Maar uiteindelijk kwam er, hoewel nagenoeg elk snippertje hout (waaronder onze houten speelgoedblokken) tijdens de voorafgaande, erg koude winter en het voorjaar verstookt waren, toch nog ergens uit het huis een latje van circa 1 meter lengte, te voorschijn. Dat was echt een wonder want we hadden toen al maanden geen brandstof meer. De vlag werd aan het latje bevestigd en daarna met enkele flinke draadnagels door mijn broer aan een van de raamkozijnen aan de straatzijde vast getimmerd. Blij en met trots keken we naar ons werk, ook wij vlagden nu mee om de bevrijding van Nederland te vieren.
65 jaar later realiseer ik me dat die kleine vlag van rood, wit en blauw waarschijnlijk de enige is geweest die ooit bij ons thuis aan de gevel wapperde. Ik moet bekennen ontroerd te zijn als ik in het Geuzenliedboek 1940-1945 de beginregels van het gedicht ‘Uit het diepst van mijn hart’ herlees.
Ik snak naar een dag, vol van rood, wit en blauw, met den zwier van Oranje erboven























































































