Mijn moeder liep onrustig rond; ik wist dat er spoedig een baby geboren zou worden. Een (ongepland?) nakomertje. De omstandigheden waren slecht; de Hongerwinter had een aanslag op iedereen gedaan. Voor een zwangere vrouw was het een bijzonder moeilijke tijd. Er was gebrek aan alles.
De baby-uitzet bestond uit geleende spullen, maar luiers ontbraken. Daar was echter een oplossing voor gevonden. Voor een hoge prijs werden er een aantal damasten tafellakens aangeschaft, in stukken geknipt en zo zou de baby zelfs heel luxe luiers krijgen.
Toen ik uit school kwam stond mijn moeder klaar met een koffertje. De weeen waren begonnen. Een tante bracht haar naar de kraamkliniek die tien minuten lopen van ons huis verwijderd was. Mijn vader werd van zijn werk gehaald en ging rechtstreeks naar de kliniek. Mijn oudere zus en ik zaten thuis in spanning te wachten. In onze beleving duurde het héél lang.
Na vele uren kwam mijn vader thuis met de blijde boodschap dat we er een zusje bij hadden. Een gezond meisje, dat het in die Hongerwinter kennelijk zo slecht niet had gehad, want ze woog zes pond.
Dezelfde avond reden de geallieerden Rotterdam binnen. Lange rijen voertuigen reden door de straat waar ook de kraamkliniek was gevestigd. Buiten was het groot feest en binnen popelden de jonge moeders om er ook iets van mee te mogen maken. Daar vond de dienstdoende verloskundige iets op, ze wist een aantal soldaten zo ver te krijgen dat ze even binnen kwamen en langs de bedden gingen. Daar werden ze met luid gejuich ontvangen en door de dames die al wat langer in de kliniek verbleven, werd met de ‘boys’ een klein dansje op de afdeling gemaakt.
Dit verhaal hoorde ik op vijf mei, toen mijn zus en ik voor het eerst ons zusje mochten zien. Ze lag in een wasmand – ook in de kraamkliniek bleek aan veel dingen tekort te zijn.
Het gewone leven kreeg nog geen kans; iedereen verkeerde in een roes en overal werden vlaggen uitgestoken. Ook ik werd in die roes meegezogen. Voor zover het mogelijk was, moesten er boodschappen worden gedaan en ik bleek daarvoor de aangewezen persoon.
Mijn vader gaf me geld mee en vertelde waar ik moest gaan kopen. Ik ging door straten die helemaal veranderd waren en waar iedereen was, waar toeters en feestmutsen te koop werden aangeboden. De verleiding bleek te groot voor een meisje van tien en ik kocht een muts en een toeter. Er bleef niet genoeg geld over voor gewone boodschappen.
Blij was mijn vader niet, maar ik kreeg geen straf. Ik mocht zelfs weer naar buiten waar het een uitgelaten boel was. Alle ellende van vijf jaar moest worden verwerkt. Als kind van tien onthoud je de feestvreugde en alle festijnen het meest.























































































