Op 4 mei 1945, 's avonds rond een uur of acht, begonnen de geruchten te circuleren over de capitulatie van de Duitsers. Na acht uur was het verboden om op straat te lopen, maar nu liepen er mensen op straat die riepen dat de oorlog was afgelopen.
Mijn verloofde liet me weten dat ik voornal niet naar buiten moest gaan, maar dat hij me de volgende ochtend na zes uur zou komen halen.
Toen de volgende ochtend van 5 mei de hele familie elkaar in de armen was gevallen, trok vader zich terug en na verloop van tijd kwam hij terug met een sigarenblik. Daarin zaten geen sigaren, maar chocoladerepen. De hele oorlog had hij ze bewaard voor de dag van de bevrijding, alle verleidingen ten spijt. Plechtig reikte hij ons de repen uit, zonder iets te zeggen en met tranen in de ogen. Toen realiseerden wij ons dat wij, oorspronkelijk onbekenden voor elkaar, een hechte familie waren geworden.
Een paar weken later kon ik met een transportauto van supermarkt Spar meerijden naar Doetinchem. Ik wilde naar mijn geboorteplaats 'achter de IJssel' terug om een geboortebewijs te halen. Dit had ik nodig om te kunnen trouwen.
Ik was probleemloos achter de IJssel gekomen, maar nu moest ik weer terug naar Amsterdam. Om een permit te halen ging ik naar het Militair Gezag.
Ik legde hen uit dat ik zo spoedig mogelijk naar Amsterdam terug moest. Mijn verloofde werkte namelijk op Rechtsherstel, waar ondergedoken of uit de kampen teruggekeerde mensen een identiteitsbewijs konden krijgen. Hij had ruim 200 Joden laten onderduiken en hun namen had ík in mijn hoofd! Dit voor het geval mijn verloofde opgepakt zou worden - en ik had nu eenmaal een fotografisch geheugen.
Aan het Militair Gezag moest ik als bewijs de 200 namen kunnen overhandigen - dat was natuurlijk niet mogelijk. Daarop adviseerde iemand mij om naar Luitenant Peijnenburg te gaan, de assistent van Prins Bernhard. Ik kreeg te horen waar hij was ingekwartierd en ging daarheen.
Ik zag hem nog die avond, maar helaas had hij geen tijd om mij te spreken. Hij moest om zeven uur in Deventer zijn. Hij verontschuldigde zich en vroeg mij de volgende dag terug te komen, dan zou hij mij om negen uur te woord staan bij het Militair Gezag.
De volgende ochtend was het zover. Nadat hij te paard was aangekomen, nam hij me mee naar de man die ik de vorige dag had gesproken. 'Geef de juffrouw onmiddellijk een permit'. De man protesteerde, waarop Peijnenburg me meesleepte naar het secretariaat om een permit te laten uitschrijven.
Ook vertelde hij me dat ik ervoor moest zorgen om twee uur via de Schipbrug naar de andere kant van de IJssel te gaan. Daar zou een tank komen die mij naar Apeldoorn zou brengen en vanaf Apeldoorn zou een rode auto mij meenemen naar Amsterdam. En zo was ik er dezelfde avond nog.
Op 5 juni was er voor mensen uit het verzet een groot feest in de Amsterdamse Schouwburg. Mijn verloofde was uitgenodigd en ik mocht mee. Op een gegeven moment zag ik Luitenant Peijnenburg bovenaan de trap zitten. Ik wilde langs hem lopen, denkend dat hij me vergeten zou zijn. Maar nee, hij greep mijn hand vast en zei:'Wilt u me niet meer kennen? En hoe is het, bent u al getrouwd?'
Op 5 juli 1945 zijn wij getrouwd.























































































