Vanaf 1929 heeft Jan Zuidweg, zoon van de smid van ’s Gravenpolder, als machinist bij de Rotterdamse Lloyd gevaren. In juli 1938 is hij voor de laatste keer uitgevaren, een maand na de geboorte van zijn zoon. In mei 1940 voer het schip terug naar Rotterdam, maar door het uitbreken van de oorlog kreeg de kapitein opdracht om richting New York te gaan. Jans zwerftocht over alle wereldzeeën aan boord van diverse Lloydschepen is toen begonnen en heeft de hele oorlog geduurd. Soms was het spectaculair, soms saai. Maar altijd was er spanning want je kon op het meest onverwachte moment naar de kelder geschoten worden. Eén keer is hem dat overkomen.
Op 30 april 1943 vaart zijn schip, de ‘Kota Tjandi’ in een konvooi van 18 schepen voor de westkust van Afrika ter hoogte van Freetown. Om negen uur ’s avonds wordt het schip getroffen door een torpedo. Het zinkt in zeven minuten. Het grootste deel van de bemanning kan de sloepen bereiken, maar toch verdrinken zes collega’s. Een visserstrawler pikt de overlevenden op en zet hen op het strand van Freetown. Een medewerker van de Engelse consul vindt hen daar en regelt transport naar Londen, waar ze op andere schepen worden geplaatst en weer uitvaren.
In de oorlog is je boot je thuis. En toch, hij verlangt steeds sterker naar zijn echte thuis in ’s Gravenpolder. Hij zoekt de kapitein op en doet zijn verhaal. Hij vertelt hoe lang hij al van huis weg is en dat hij zijn zoon maar niet ziet opgroeien. De kapitein luistert, toont al snel begrip en stemt in met zijn vertrek. Na Antwerpen moet het schip naar Londen en daar zal voor vervanging gezorgd kunnen worden. De nog aanwezige machinisten vangen ondertussen zijn werk wel op. ‘Ga jij maar zo snel mogelijk naar huis Jan’, zegt de kapitein begripvol.
Wat een verandering ineens! Spullen pakken, afscheid nemen en een reismogelijkheid zoeken. Met een militair transport kan hij mee naar Bergen op Zoom. Daar bestaat iets wat lijkt op openbaar vervoer. Het is al donker als hij aankomt in Goes. Nu nog een goed uur lopen naar ’s Gravenpolder. Onderweg heeft hij tijd om na te denken. Thuiskomen in zo’n situatie, hoe doe je dat? Onverwacht voor de deur staan en vrouw en zoon uit bed bellen? Welke deur trouwens? In de laatste Rode Kruisbrief stond dat ze moesten verhuizen. Waar zouden ze wonen? Zouden ze gezond zijn?
Bij het binnenkomen van het dorp gaat hij langs het postkantoor, dat is gevestigd in een woonhuis. Hij belt aan en iemand die hij goed kent, doet open. ‘Ze maken het goed en wonen nu bij juffrouw P. in ‘De Garve’, een paar huizen voorbij je oudste zuster’, zegt de kennis.
Er brandt nog licht bij zijn zuster. Hij belt aan en de blijdschap is groot. ‘Ik loop wel even naar haar toe om te zeggen dat je eraan komt. Dan kan ze zich even voorbereiden’, zegt zijn zuster.
Tien minuten later omhelzen mijn ouders elkaar en maak ik eindelijk kennis met mijn vader.























































































