In de euforie van het bevrijdingsgevoel was geen plaats voor mededogen en rechtshandhaving. Nee, het volksgericht had besloten dat zij gedurende langere tijd zichtbaar zouden zijn als landverraders en ongeacht de verdere omstandigheden, werden zij botweg publiekelijk kaalgeknipt.
Ten overstaan van het volk werden zij op het bordes van het stadhuis gepresenteerd als een jachttrofee van de plebs. Hierbij had ik mijzelf ook een rol toebedeeld en stond samen met een vriend achter de vernederde mensen een spandoek op te houden met de tekst: ‘Landverraders’. Heel Gulpen jouwde de slachtoffers uit. Nu vinden we dat heel triest, maar in die tijd was het heel begrijpelijk.
Langzaamaan brak een andere fase aan in het bevrijdingsproces. Eerst was het nog gericht op het verdrijven van de bezetter met daarna de aanpak van de Duitsgezinden. Daar werd nu een allegaartje van rancune, haat, hebzucht en wraak aan toegevoegd. Vermeende en valse beschuldigingen, het betichten van behaald voordeel door samenwerking met de Duitsers, of het aangeven van collaboratie en aantijgingen over het heulen met de vijand bleken ook als wraak en afgunst opgeld te doen. De meest merkwaardige geruchten werden de wereld in geholpen met een onvoorspelbare afloop.
De route naar school werd gevaarlijk, daarom ging ik een tijdje in pension. Ik overhoorde daar een gesprek, waarin iemand argwaan uitsprak over de situatie van mijn vader. Hij zou extra geld hebben verdiend door zijn producten tegen goede en hoge prijzen aan de bezetter te verkopen. Dat was een gevaarlijke bewering want het oppakken zonder enig bewijs maar slechts door een aangifte op basis van een vermoeden was een onderdeel van de rechtsonzekerheid in de bevrijdingsdagen.
Met deze informatie stapte ik op de fiets en ging ondanks de levensgevaarlijke situatie zonder dralen naar huis om mijn ouders hierover te informeren. Onmiddellijk ging mijn vader mee terug om de zaak aan de orde te stellen bij de betrokkenen en de werkelijkheid onder de aandacht te brengen. Daarmee was de zaak opgelost.
In december kwam kolonel Scott, die bij ons thuis was ingekwartierd, met een pracht van een kerstboom aanzetten. Dat betekende dat we kerst echt konden vieren. Tijdens de festiviteiten maakte Scott duidelijk dat de Duitsers mogelijk terug zouden komen met een enorm offensief. We konden het niet geloven. De geallieerden, deze onverslaanbare halfgoden, konden in onze ogen niet verliezen. Waarom geloofden ze ons niet?
Het werd werkelijkheid met het Ardennenoffensief. De laatste stuiptrekkingen brachten onze bevrijding in gevaar. Na een periode van slecht weer kwamen ineens weer vliegtuigen over en werd duidelijk dat de bevrijding definitief was.
Ik kon weer gewoon naar school, bevrijd en wel.























































































