Wij noemden het ding eenvoudig: mauermuur.
In de eerste meidagen gonsde het van de geruchten. ‘De Canadezen zijn al bij Den Haag!’ Een dag later werd dat Leiden, enz. Maar geen bevrijder te zien.
Intussen werd de mauermuur met gaas bedekt en met bloemknoppen van de mooiste mozaïeken voorzien. De Canadese vlag, de Amerikaanse vlag, het Nederlandse rood-wit-blauw, oranje wimpels en nog meer moois. Bloemen genoeg in de bloeiende bollenvelden rondom.
Ik was veertien jaar en door de huisarts zo mager bevonden dat ik recht had op goed eten van een soort gaarkeuken. Dat eten werd uitgedeeld in een gebouwtje naast de katholieke kerk aan diezelfde autoweg, een kwartiertje lopen richting Haarlem. Ik moest een pannetje en een lepel meenemen.
Zo liep ik die mooie meidag op lunchtijd (stilte overal, iedereen thuis aan de maaltijd , niemand op straat) met m’n pannetje net voorbij de mauermuur toen ik het geluid van motoren hoorde. Ik keek natuurlijk om en …. daar waren ze! Twee geüniformeerde Canadezen op Harley-Davidsons. Toen ze me zagen, namen beiden hun handen van het stuur en staken vrolijk hun duimen omhoog.
Ze vonden de mauermuur dus ook prachtig. En ik kon thuisgekomen aan iedereen vertellen dat ik de bevrijders had gezien! (Nou ja, kwartiermakers, wist je achteraf.)
De dagen daarna kon ik niet echt genieten van de bevrijding, want ik had een pannetje vol hutspot met klapstuk meegekregen en opgegeten. Daar werd ik zo ziek van dat ik in bed moest blijven.
Later heb ik het ingehaald en op straat gedanst met de hele buurt en met Canadezen die zo vriendelijk waren op de T-kruising voor ons huis ’s avonds hun vrachtwagens met motor en koplampen aan neer te zetten. De piano en de platenspeler van buren stonden ook op straat.
De ‘Lambethwalk’ konden we zelf zingen. Heerlijk dansen! Alleen mijn moeder kneep ’m een beetje met diverse jonge meiden/onderduiksters in huis die af en toe achterop zo’n prachtige motor thuis kwamen …… ‘Als dat maar goed gaat’ dacht ze. Het ging goed. Eén is tenslotte keurig met een Engelsman getrouwd en naar Londen gegaan. Maar die vier duimen omhoog. Die zal ik nooit vergeten.
Dat er in huis zoveel jonge meiden waren, kwam als volgt. In 1942 vond de Amsterdamse vader Duizend dat het tijd werd om onder te duiken. Hij gaf zijn vrouw, twee dochters en de bij hen wonende Weense Gertrude Hirsch elk duizend gulden en zorgde ervoor dat ze allemaal op een ander adres onderdoken. Gertrude kwam in Haarlem terecht bij de zusters Van Tricht en Blauw; twee verpleegsters van het Elisabeth Gasthuis, een zeer anti-Duits bolwerk in die tijd.
Zuster Van Tricht kwam bij mijn moeder (weduwe) op bezoek met de vraag: ‘Kan jij onze onderduikster even in huis nemen, want ons huis staat onder verdenking van de SS. Als dat weer over is, kan ze bij ons terugkomen.’
Een aantal weken later kwam zuster Van Tricht weer op bezoek. Een Nederlandse verpleegster had een onderduikadres nodig. Als Gertrude bij ons kon blijven, dan konden zij die verpleegster nemen. En zo bleef Gertrude, die zichzelf met groot plezier Hansje noemde, naar de naam 'Johanna Mooijen' op haar valse persoonsbewijs, ruim drie jaar bij ons wonen en had ik er een vijf jaar oudere zus bij.
Hansje kende uit het kamp in Rotterdam twee Berlijnse zusjes die in Hillegom ondergedoken zaten. Ze kwamen vaak bij ons. Soms ook voor hun veiligheid.Vandaar dat mijn moeder zoveel jonge meiden had, die zo nu en dan bij haar thuisgebracht werden door een bevrijder op een motor.























































































