Mijn gezin woonde in die tijd in Groningen, in Winschoten om precies te zijn. Omstreeks 1942 waren we als gevolg van een gedwongen evacuatie hier terechtgekomen. Het leek aanvankelijk veiliger dan het westen, maar naarmate de oorlog vorderde, veranderde de situatie en wel in negatieve zin. Er werd steeds agressiever opgetreden. Al een paar maal had ik gezien dat mensen op straat werden neergeschoten.
Ik begreep er niets van. Waren dit de aardige chocolade- en boterhamverstrekkers van weleer? De mannen die er altijd keurig glimmend gepoetst uitzagen en die als ze door de straten marcheerden, zo prachtig konden zingen? Ze waren in korte tijd sterk veranderd. Op een dag verdwenen ze zelfs geheel uit mijn gezichtsveld. Het was de dag dat Poolse troepen Winschoten bezetten. Die Polen zagen er heel wat minder fraai uit. Het leek soms wel of ze dagen lang in de modder gerold hadden. Later hoorde ik, dat dat inderdaad het geval was geweest.
De toestand werd nu met de dag slechter. Er gingen geruchten dat de bruggen over het Winschoterdiep opgeblazen zouden worden. Nu woonden wij in een winkelpand recht tegenover een brug. Mijn ouders achtten het verstandiger eventuele acties niet af te wachten en zo kwam het, dat we op een avond ons huis verlieten op zoek naar veiliger oorden.
Dat vonden wij bij kennissen aan de buitenkant van de stad. het was er echter alles behalve rustig. Aan de overkant van de weg, voor het huis waar wij tijdelijk onderdak hadden gevonden, was een batterij veldgeschut opgesteld. Om de ramen te redden waren de huizen als het ware ingepakt in strobalen. Het was een wonderlijk gezicht, deze strostraten, hier en daar afgewisseld met torenhoge stapels munitiekisten.
De dagen ging en voorbij zonder dat er iets gebeurde. Zoa f en toe klinken er in de verte, bij Nieuwe Schans, schoten. Maar dat was voor mijn gevoel ver weg en niet bedreigend. Toen op een nacht barstte de hel los. In een laatste offensief probeerde de Duitsers door de Poolse linies heen te breken. Er werd plotseling aan beide zijden hevig geschoten. Langzaam kleurde de horizon rood.
Overal sloegen granaten in. Ze ploegden de voortuinen om en soms, als ze in een sloot terechtkwamen, spoten er huizenhoge modderfonteinen omhoog. De Duitsers kregen duidelijk meer grip op de situatie, gezien het aantal voltreffers. In huis blijven werd te gevaarlijk, reden waarom wij naar de kelder verhuisden. Het was gelukkig een ruime kelder, maar met zo’n twintig mensen toch overvol. We moeten er zo uren gezeten hebben, dicht op elkaar gepakt, angstig en niet wetend wat ons boven het hoofd hing.
Plotseling werden we opgeschrikt door een angstaanjagend gehuil, dat gesmoord werd in modder en zand vlak voor het kelderraam. ‘Een blindganger!’ schreeuwde iemand. Bij het licht van de koolzaadolielamp zag ik hoe de gezichten verbleekten. Sommigen barstten in tranen uit. Toen werd het doodstil in de kelder. Ook buiten scheen de rust terug te keren. Het geschut verstomde. Voor het kelderraam verschenen een paar laarzen en daarna een hand. De hand pakte de granaat op en gooide hem het veld in. Ik hoorde de laatste explosie van de oorlog. In de kelder ging gejuich op. We waren vrij!























































































