Bij een gewapende overval worden een radio en een pas gerepareerde stencilmachine gevonden. Mejuffrouw Helmers en anderen gaan op transport naar Amsterdam; ze zitten tot de bevrijding opgesloten aan de Weteringschans, maar overleefden gelukkig. Mijn werkgeefster was in die tijd onherkenbaar geworden, zo mager, ze leek alleen nog een velletje over de botjes te hebben.
Ik zat de laatste maanden voor het einde van de bezetting met tante Gré en oom Herman in Middenmeer. Op 17 april komt hier bruut een einde aan als de bezetter de dijken opblaast. De verzetsbeweging was wel op de hoogte van de plannen, maar het gebeurt toch nog onverwacht. In razend tempo worden spullen, die direct noodzakelijk kunnen zijn, op wagens en karren geladen: zakken tarwe, beddengoed, kleding. Wegwezen, het oude land op zien te komen. Het water stroomde met donderend geweld door de kanalen de polder in. Gerke Schuininga (de landbouwer waar o.a. mijn vader ondergedoken zat) en opa kregen met grote inspanning de brug van Middenmeer omlaag gedraaid.
De familie waar ik zelf toen zat in Wieringerwerf werd ook met paard en wagen de polder uit gebracht, naar Lutjewinkel, drie à vier meter hoger. Toen wij daar aankwamen was het bijna donker. Ik herinner mij een school met minimale verlichting met matrassen en stro op de grond.
De volgende dag ging ik terug naar Beverwijk op mijn fiets die ik gelukkig nog had. Ik kocht een kilo tomaten onderweg, dat was eten en drinken tegelijk. Er was niets te koop en een bon had ik niet. Mijn ouders moesten nu ook hun oudste dochter (mij) nog voeden; dat was het allerergste.
Kinderen uit Amsterdam die ondergebracht waren in de polder moesten weer teruggebracht worden na het misdadig gebeuren van de doorgestoken dijken. In Amsterdam bleek het verschrikkelijk te zijn: de huizen van velen waren van binnen uitgebroken, alle hout had men gebruikt voor wat warmte of om het schandelijke beetje aardappelsoep uit de gaarkeuken te verwarmen. Van de drie Amsterdammertjes die door opa Leen waren weggebracht hebben we nooit meer wat gehoord.
Opeens kwamen er grote vliegtuigen over en het onvoorstelbare gebeurde: blikken met droge biscuits en meel kwamen naar beneden. De mensen waren door het dolle heen en je kon niet geloven wat je hoorde en zag. Mijn broers zaten bovenop het dak en iedereen die kon klimmen zat zo hoog mogelijk om maar zoveel mogelijk te zien.
Kort hierna werd de vrede gesloten. Het brood dat wij toen kregen, smaakte zo heerlijk; als ik er aan denk proef ik het nog. Het was lekkerder dan het lekkerste gebakje dat je nu kan bedenken.
Eindelijk kwam er na alle ellende een einde aan deze verschrikkelijke tijd. In Wageningen werd de algehele overgave van de Duitse weermacht, die zoveel honderdduizenden het leven kostte, ondertekend. Ook Ger, de broer van opa, zesentwintig jaar en zes weken getrouwd, stierf in Augsburg door Engelse brandbommen.
De weken daarna zagen we colonnes Duitse soldaten, oude en heel jonge, over de Breestraat naar de Afsluitdijk trekken. Een teleurgesteld verslagen leger, ook berooid en ellendig, terug naar een totaal verwoest Duitsland; afschuwelijk. Ook veel van deze mensen zullen dit zeker niet gewild hebben ....
Voor de machthebbers heeft het leven van de nietsbezittenden geen enkele waarde! Maar veel medelijden had men niet met deze terugtrekkende colonnes. In gedachten zagen wij toen de duizenden Nederlanders langs de polderwegen lopen met een handkar, een oude fiets op houten banden, een kinderwagen, een zelfgemaakt karretje of iets wat er op leek ... Wanneer je dat beeld gezien had, was je niet bereid tot medelijden, dat is duidelijk ...’























































































