65 Jaar Bevrijding

Lettergrootte:    
De groene engel
1944 tot 1945
Op straat is alles stil, alleen de vogels en ik zijn buiten. De voordeur staat open en ik speel in de tuin met de zwarte aarde, de kiezelsteentjes en met alles wat de tuin biedt. Onder mijn hulstboom heb ik een bergje gemaakt met daarop een stad waarin gelukkige en blije mensen wonen die allemaal genoeg te eten hebben.

De takjes worden bomen, kiezelsteentjes worden mensen en de hulstboom erboven beschermt deze nieuwe wereld. Hier ligt mijn mooiste speelgoed. Tevreden drentel ik door het houten tuinhek de straat op om daar, tussen de keien, nog meer bewoners voor mijn stad te zoeken.

Speurend naar spelmateriaal sta ik gebukt in de goot als er vanuit het niets, met veel geronk een grote groene legertruck komt aanrijden. Een echte soldatenauto, die een enorme herrie maakt en vlakbij mij stilhoudt.

Ik word nieuwsgierig. Mijn angst voor alles wat groot is en lawaai maakt, verdwijnt. Schoorvoetend en gebiologeerd loop ik erheen. Mijn mond zakt open en met holle ogen kijk ik naar boven. Er moet toch ergens iemand zitten die zoiets geweldigs besturen kan?

De enorme treeplanken naar de cabine lijken wel een trap naar de hemel. Wat zijn ze hoog! Plotseling zwaait boven mij de deur open en verschijnt er een gigantische man; een reus in een groen pak met een vreemd hoofddeksel waarop ook nog een gekleurde bal zit. Een wonderlijke, maar vrolijke verschijning met lachende lichte ogen.

Terwijl de man zijn trap afdaalt kijkt hij naar mij en praat tegen me. Ik hoor alleen nog zijn warme stem met onbekende klanken.  Ik versta niets van wat deze groene reus van mededogen zegt, maar hij heeft het tegen mij want er is niemand anders in de buurt. Als zijn liefdevolle blik en zware diepe stem mijn hart bereiken, wil ik in die warmte oplossen en nooit meer iets anders. Het NU wordt eeuwig voor mij.

Ik staar hem stil aan, omdat hij in een taal spreekt die ik niet met mijn verstand maar wel met mijn hart begrijp. Tijd en plaats hebben geen aanknopingspunt meer en verdwijnen. Er is geen verlangen naar mijn moeder of naar iemand of iets anders: nergens is meer angst, alleen maar die warmte. Alles is goed, is vrede, is liefde; ik voel het en ik BEN het.

Dan stapt hij de treeplank weer op en grijpt iets uit de hut. Hij duwt me iets in de hand en legt zijn andere hand op mijn kleine hoofd. Ik schrik. De aanraking brengt mij als bij toverslag terug in mijn paarse flanellen, door mijn moeder genaaide en geborduurde jurkje. Al het bloed vliegt naar mijn wangen, want de opwinding, de spanning en de angst zijn ineens te groot. Ik draai me om en ren naar binnen zonder mijn weldoener te bedanken.

Mijn moeder is, zoals altijd, in de keuken. Bovenop de schoorsteenplank staan drie bussen met hun etiket ‘zout’, ‘suiker’ en ‘meel’. Leeg! Al een tijdje!
Struikelend over mijn woorden vertel ik haar mijn avontuur, maar ik kan op geen enkele manier mijn werkelijke beleving onder woorden brengen en voel iets heerlijks wegebben.

Mijn moeder roept opgewonden ‘Chocola! Een echte reep!’ Het wordt hoog op de plank naast de lege suikerbus gelegd. Er ontstaat daar in die donkere keuken ineens een vreugde en uitgelatenheid die ik niet begrijp en ook nog nooit heb meegemaakt. Nog kan ik de verwarring voelen. Want terwijl alle grote mensen in huis nu uitzinnig blij zijn, ben ik mijn boodschap EN mijn schat kwijt.

Ik snap er niets van en sta in de keuken met lege handen... alleen. Daar voel ik me plotseling eenzaam en verdrietig. Ik besluit terug te gaan naar de vreemde groene engel die ik niet versta.

Hoopvol ren ik de straat op, die stil is... en leeg. Ik keer terug naar de wereld onder mijn hulstboom, maar die is niet meer dezelfde.

 
Tijdlijn
  • 1940
  • 1943
  • 1944
  • 1945
  • 1946
  • 1930 - 1939
  • 1940 - 1949
  • 1950 - 1959
  • 1990 - 1999
  •