Aan het eind van het voorgaande jaar hadden ze al even gejuicht. Breda was vrij, zo werd er geroepen. Ze zouden snel komen. Maar het was niet waar. Rotterdam bleef bezet. Er volgde een vreselijke winter, waarbij de Duitsers goed lieten weten wie de baas was.
Twee weken daarvoor nog was hij op een haar na aan de dood ontsnapt. Hij wilde, net als anders, gaan kijken of er iets te eten was bij de Sillevolt fabriek. De gebroeders Sillevolt wisten dat hij ondergedoken was en gaven wel eens een bord bonen, erwten of zelfs havermout. Die morgen had hij er weer heen gewild. Maar hij was getipt, over represailles, en met zijn vriend, de zoon van de koster, over de muur van het klooster geklommen. Ze waren naar hun vaste stek in de kerktoren van de Lambertus aan de Hoflaan geklommen. Hij kon het van bovenaf zien gebeuren. Twintig willekeurige mannen, sommigen die gewoon langs liepen, werden tegen de dijk gezet. Doodgeschoten. Hij had er tussen kunnen staan.
Nee, hij ging niet meer zomaar de straat op. Alleen als het zeker was. En als het al zeker was, wisten de Duitsers het dan ook? Het bleef verwarrend, die laatste dagen van de oorlog.
Toen kwam het bericht van de voedselpakketten. Het was waar! Het kon, hij kon naar buiten! De mensen stroomden naar de Hoflaan, naar het huis van de door de Duitsers afgezette burgemeester Oud. De burgemeester stond op zijn balkon en sprak de mensen toe. De straat golfde letterlijk onder de springende voeten van de mensen.
Was het diezelfde dag, of een dag later, dat de Canadezen en de Engelsen over de Korte Kade de wijk in stroomden? En dat de laatste Duitsers vertrokken, chaotisch, te paard? Het was feest. Maar ook weer niet. want er was haat. Haat tussen mensen, die hij niet kon begrijpen. De kapper in de straat knipte onder gejuich een buurvrouw kaal, midden op straat. Er werd gezegd dat ze een moffenhoer was. Haar kinderen raapten het haar op. Daar was niets leuks aan. Andere jongens moesten weg, omdat hun vader lid van de N.S.B. was geweest. Wrang was het. Het bleef verwarrend, ook in die eerste dagen na de oorlog.
En er moest gewerkt worden. Hij was bijna negentien en ging gelijk die zomer weer met zijn vader mee om het loodgietersvak te leren. Er was genoeg wat gerepareerd moest worden, ook al hadden ze nog weinig spullen. En terug naar school. Maar was het de moeite? Nederlands Indië was immers nog niet bevrijd. Hij zou wel opgeroepen worden. Bovendien hoorde hij het dagelijks; het was je plicht om je te melden. Het zou nog bijna een jaar duren, voordat hij weer met school moest stoppen en ingescheept werd naar Indië. En de oorlog daar was nog veel erger.























































































