In de dorpskerk deelde ik dubbeltjes en kwartjes uit aan evacues, die vaak na lange wandeling vanuit hun logeeradres, deze bijdrage gretig in ontvangst namen. Na de jaarwisseling werd het te onveilig om me als kandidaat dwangarbeider in het openbaar te laten zien. Vlak aan de rand van het hek van de Hoge Veluwe lag het brandhout voor het oprapen. Een nabij wonende boer hielp ons met voedsel. Lectuur in huis behoedde me voor verveling en de gesprek met de huisgenoten waren vaak boeiend.
Zo tegen half april trokken massaal Duitse troepen langs. Zwaar geschut werd hoorbaar en steeds luider. Op 16 april voltrok zich het wonder. Rustig optredende Canadezen namen bezit van de tuin rondom alwaar zendmasten en gevechtswagens werden geïnstalleerd. Buurmeisjes vielen de jongens om de hals en een kreeg de titel Mr. Hollywood.
Chocola en sigaretten werden ruimhartig rondgedeeld en met gretigheid genoten. Van Duitsers was niets meer te zien. Die hadden zich in de bossen rondom in greppels onzichtbaar gemaakt.
Opeens verscheen een meisje uit het buurhuis: ‘Ad, kun jij Canadese hulp oproepen? In ons huis hangt de vlag al uit en nu richten Duitse soldaten hun geweren op onze voorruit.’
Ik naar Mr. Hollywood, die met zijn wandelstok in zijn handen een tukje deed. Even eerder had hij mij verteld dat deze stok zijn talisman was en hem sinds de landing in Calabrie, twee jaar geleden, constant beschermde. Toen ik hem de noodsituatie van het buurhuis beschreef, was zijn reactie:’Oh, dat knap ik wel even op met behulp van een gevechtswagen’. En daarop vertrok hij, met zijn wandelstok. Twee minuten later zag ik hem vallen, beschoten, dood.
In overleg met de andere huisbewoners besprak ik de dreigende situatie: met rondom in de bossen al die gewapende Duitsers zaten wij in dit kwetsbare houten huisje letterlijk tussen twee vuren. Deze nacht moesten we elders doorbrengen. Toen we ons voornemen aan een der Canadese officieren kenbaar maakten, met de toevoeging dat een Duitse tegenaanval voor de hand lag, lachte die ons uit. ‘Dacht je dat wij, die sinds Calabrië nooit in nood hebben gezeten, vannacht bedreigd gaan worden!’
Wij togen die avond naar en boerenschuur enkele kilometers verder op, alwaar we in de nacht overdonderd werden door schietlawaai uit deze hoek.
In de ochtend ging ik als eerste, met de fiets, poolshoogte te nemen. De aanblik was verschrikkelijk. Veel lege flessen Johnny Walker flessen. Half verkoolde lijken en lichaamsdelen. Huis totaal verdwenen.
Twee drank uitwasemende soldaten met de vinger aan de trekker pakten me beet. ‘Jij bent een Duitse spion, je vertelde ons gisteravond exact wat vannacht zou gaan gebeuren. Je wist het. Ga tegen die boom staan en trek je hemd uit, we gaan je executeren’.
Weglopen zou meteen mijn dood betekenen. Ik keek nog even, me bewust dat ik nog enkele seconden mocht leven, naar het uitlopende groen tegen de blauwe lucht, wachtend op de schoten.
Ineens verscheen een officier. Ik vroeg even met hem te mogen spreken. Dit mocht. Ik poogde hem de absurditeit van de situatie uit te leggen, waarop hij zei:’Gister vond ik je Engels goed verstaanbaar, waarom spreek je nu zo schokkerig?’ Waarop ik zei: ‘Dat is regel bij executies’. ‘Run as you can’, sprak hij. Mijn vraag of ik mijn hemd en rugzak mocht pakken, negeerde hij. En zo liep ik het leven en de bevrijding tegemoet.























































































