Zij hadden me een stuk kaas in het vooruitzicht gesteld, voor het geval die ellendige oorlog voorbij zou zijn. Als kind moet ik me de vrede, die almaar uitbleef, die steeds zo eindeloos ver weg leek, daardoor als een enorm blok kaas hebben voorgesteld.
Er werd aan me geschud, geduwd en nog eens klonk het: ‘Lieneke, wakker worden, wakker worden het is vrede… Met tegenzin opende ik – bijna vijf – zuchtend mijn ogen, en mompelde:‘Krijg ik nou mijn stuk kaas?’ Ik draaide me om en sliep verder.
Die meneer en mevrouw waren verbaasd en misschien ook wel een beetje teleurgesteld, dat na kennisname van hun belangrijke boodschap ik me knorrend omdraaide en gewoon weer verder sliep. En ook voortging met dromen, dromen over mijn eigen ouders die nu – het kon haast niet anders – wel weer gauw terug zouden keren, me zouden komen ophalen zodat we weer met z’n allen zoals vroeger in ons huis in Amsterdam gingen wonen.
Het was een zoete, heerlijke droom, een kostbaar geheim dat ik in die dagen alleen met Floortje, de hond, durfde te delen.
Overdag en in de daarop volgende dagen barstte de feestvreugde pas goed los. Overal wapperden rood-wit-blauwe vlaggen, sommige met oranje wimpels. Mannen en vrouwen, jong, oud en alles er tussenin, hosten door de versierde straten. Nog steeds voel ik dat aarzelende dubbele gevoel waarmee ik me toen een weg door de feestende meute probeerde te banen. Zolang er zich nog niemand van mijn familie aandiende om me te komen ophalen, durfde ik nog niet echt blij te zijn.
Onze Julianaweg in Hoograven (Utrecht) was omgetoverd in een parcours waar onder enorme en haast hysterische belangstelling motorraces werden gehouden. De aanstormende en kerende gevaartes met het daarbij horende verschrikkelijke lawaai maakten me bang en onzeker.
Op de stoep aan de overkant stond Floortje, aan de lijn bij zijn baasje. Hij zag me, blafte en kwispelde. Dat was lief, dat maakte me een beetje blij. Ik wilde hem aanraken, aaien, knuffelen, naar hem toe. Ik rende op hem af .... en ontwaakte een week later in een Utrechts ziekenhuis. Het was een verschrikkelijk ongeluk geweest, is me later verteld. Ik was door een van de zware motoren gegrepen en had dagenlang een strijd op leven en dood moeten voeren.
Toen ik midden mei 1945 uit een diepe coma bijkwam, zaten mijn pleegouders aan mijn bed. Tot hun immense opluchting hadden ze het kind dat zij in de oorlog voor een wisse dood hadden weten te behoeden niet in de feestvreugde rond de bevrijding zien sterven!























































































