Moeder Milot houdt de gebeurtenissen en belevenissen rond deze bevrijdingsdagen nauwkeurig bij, geschreven aan Claes, ‘voor later’. Niet alleen beschrijft zij wat op straat en in de nabije omgeving gebeurt, maar ook de kleine dingetjes die horen bij een jong gezin. Na de bevrijding wordt het gezin gedwongen alsnog de stad te ontvluchten. Een aantal fragmenten uit de aantekeningen van Milot, te vinden in het Nationaal Archief:
‘18 september
Toen je moeder ’s morgens met je bezig was op de aankleedtafel, zei je: mammamma. En je mammamma zei: wat is er, kan mamma grote moeilijkheden voor je oplossen? Toen riep je: ja-ja-ja-ja-ja! Die dag zagen en spraken je vader en moeder de eerste Amerikanen en Engelsen. De Amerikanen waren parachutisten, die gisteren waren uitgegooid. De Engelsen trokken door de stad rechtaan op Nijmegen. De stroom was afgesloten, gas was er ook niet, dus kookte je vader je papjes op een eigengemaakt kacheltje van bakstenen in de tuin.
19 september
Was je zeven maanden oud. Je vader en moeder namen je in de wagen mee naar de stad om gedrieën nog ’s te gaan kijken naar het nog steeds doortrekkende Engelse leger. De bevolking liep in oranje en rood-wit-blauwe kleren. De huizen waren versierd met vlaggen, oranje lampions enz. Kortom, de stad juichte over haar bevrijding.
’s Avonds toen je moeder je naar je bedje had gebracht en je vader even uit was om naar de radio te luisteren, was je moeder beneden, alleen in de kamer, die plotseling hel oranje verlicht was door oranje lichtkogels die vliegtuigen uitwierpen. Eerst dacht ze nog even dat ’t een grapje van de Engelsen was om onze feestvreugde te vergroten, maar ’t geheel zag er zo griezelig uit, dat ze begreep dat het onraad moest zijn. Ze riep in doodsangst om je vader, maar zag hem nog niet komen.
Toen vielen de eerste bommen. Van angst wist je moeder niet wat te doen en Godzijdank hoorde ze iemand rennen over de straat. Ze voelde het! Dat moest je vader zijn en hij was het. Hij snelde de trap op om jou met dekentjes en al uit je bedje te halen. Even later stonden we weer, jij in de armen van je moeder, de armen van je vader om ons heen gedrukt, tegen elkaar aan bij de ingang van de kelder.
Om ons heen denderde het. Doodstil lag jij in de armen van je moeder, zonder iets te verroeren, zonder een kik te geven, je was zo’n lieve schat, kind. We stonden doodsangsten uit om jou. De bommen floten over ons heen, op ons af. Tot er een bom viel voor het huis en een vlak achter het huis en er ontzettend veel naar beneden kwam vallen rondom ons heen. Eerst dachten we dat (we) er niet meer uit konden, maar dat viel mee. (...) In ons huis konden we niet meer wonen.’
Het gezin vlucht uiteindelijk naar Valkenswaard, naar een huis midden in de hei. Milot schrijft dat het gezin daar met ongeveer zeventig andere vluchtelingen uit Eindhoven verblijft. En dat het gezin zich daar veel rustiger voelt dan in de stad.























































































