Ik had gehoopt op echte Tommies en Canadezen tegen wie je ‘houwdoejoedoe’ moest zeggen. Maar toen ik wat later in een echte Canadeese jeep mocht zitten, was die teleurstelling allang vergeten. Ik was zes jaar en zou in september naar de grote school gaan. Die zomer speelden mijn vriendjes en ik op het weilandje achter ons huis. We visten op stekelbaarsjes en vingen kikkers, soms een salamander en op straat bombardeerden wij Tokyo met papieren vliegtuigjes en een handvol kiezelstenen.
Toen het nog oorlog was, moest ik tegen vreemden zeggen dat ik op de Admiraal de Ruyterlaan woonde, maar dat was nu niet meer nodig want de echte naam mocht weer: Koningin Wilhelminalaan. Aan het eind van die zomer, net voor de grote school zou beginnen, was die koningin jarig en op onze laan zou dat voor het eerst in vijf jaar groots gevierd worden. Er zou een corso komen, een optocht met praalwagens. Mijn ouders overlegden met vrienden om mee te doen en met de groenteboer vanwege zijn paard-en-wagen.
De bedoeling was dat de kinderen van deze vrienden – een meisje van mijn leeftijd en een jongen, Peter, die een paar jaar ouder was – en ikzelf op de versierde kar van de groenteboer ‘Het Verzet’ zouden uitbeelden. Het meisje zou met haar fietsje koerierster zijn. Maar mijn vriend Peter en ik zouden gekleed gaan in het uniform van de Binnenlandse Strijdkrachten: een blauwe overall met een oranje armband, waarop letters stonden die ik nog niet kon lezen. Nog veel belangrijker was dat wij beiden een kleine stengun om onze nek zouden dragen.
Ik kon nauwelijks wachten op 31 augustus. Die dag zou de hele buurt getuige zou zijn van hoe ik en mijn vriendje persoonlijk hadden afgerekend met het Derde Rijk. Alle mensen uit de buurt zouden vol bewondering naar ons opkijken en een donderend applaus zou ons deel zijn. Misschien zouden wij zelfs in de krant komen en nog weken later zouden mensen naar mij wijzen en tegen elkaar zeggen: ‘Hij was bij Het Verzet’.
Wat de reden was heb ik nooit geweten, maar er ging iets grondig mis. Misschien had de groenteboer z`n kar zelf nodig, misschien waren er geen blauwe overalls in mijn maat, of mochten kinderen van zes geen stengun dragen. Hoe dan ook, er zou geen praalwagen met mijzelf als partisaan aan het corso meedoen. En alsof dat nog niet erg genoeg was, regelden mijn ouders iets anders voor mij. Ik heb geprotesteerd, gehuild, met deuren geslagen, lelijke woorden gezegd, maar het hielp niet. Op koninginnedag 1945 was ik verkleed, niet als verzetsheld, maar – oh schande – als KABOUTER van Sneeuwwitje. Er zijn zelfs foto`s van gemaakt.
Soms, tegen het eind van de zomer, heb ik nog last van mijn ‘Bevrijdingstrauma’.























































































