65 Jaar Bevrijding

Lettergrootte:    
Bevrijdingsfeest met 'moffenmeid'
05-1945, Haarlem
Mijn vader zei: ’We gaan naar Haarlem, naar de Grote Markt. Daar is een groot bevrijdingsfeest aan de gang. Het is belangrijk dat je daar bij bent, want dit moet je je altijd blijven herinneren, je leven lang’.

Ik was tien jaar, de oudste thuis en we liepen van Overveen naar Haarlem om het feest bij te wonen. Van die wandeling kan ik me niets herinneren. We waren vermagerd en verzwakt door de Hongerwinter, maar we liepen altijd. Het kon niet anders.

Een paar jaar  geleden was er een tentoonstelling over de oorlogstijd. Ik heb die niet bezocht, maar er wel over gelezen. Ik was er nogal verontwaardigd over. Er werd beweerd dat de Hongerwinter wel meeviel. Van suikerbieten werd voedzame stroop gemaak, en er waren gaarkeukens. De tentoonstellingsmakers vertelden niet hoeveel bieten nodig waren om een heel klein beetje stroop te krijgen, en dan moet je ook aan bieten zien te komen! Wat overblijft wordt pulp genoemd en was eigenlijk veevoer. Aangestampt in een broodblik en gedroogd op een houtkacheltje kun je pulp in plakken snijden en opeten. Vezelrijk was het zeker en niet echt vies.

Vies was het eten van de gaarkeuken. In het begin was het best te eten, een soort dunne stamppot. Per gezinslid werd een volle opscheplepel in het meegebrachte pannetje geschept. Mijn grootmoeder was de eerste die haar bord met paarse smurrie van zich afschoof en zei:’Dit is geen eten’. Maar wij aten door. Tot die keer dat het bestond uit een soort pap van water en zaagsel – zoals ik het zag. Onze lichamen protesteerden, maar mijn vader at door.

Om in aanmerking te komen voor de gaarkeuken moesten we eerst gekeurd worden. Wie niet mager genoeg was, mocht niet mee-eten. Voor mijn moeder en de kinderen was dat geen probleem, maar mijn vader – klein en beetje brood gebouwd – was te zwaar. Hij was zo verzwakt dat hij onderweg soms even op een vensterbank was gaan zitten. Na overleg met de dokter veranderde die iets op het kaartje, zodat hij mager genoeg was en wij tevreden huiswaarts konden gaan.

We overleefden, maar zoal mijn moeder zei:’Het had niet langer moeten duren’. Zweden stuurde wittebrood en margarine – nooit iets lekkerders gegeten. Grote blikken met crackers werden uit vliegtuigen geworpen en ik herinner me ook blikjes met cornedbeef. Wij kinderen gingen naar een schoolgebouw, waar wij tweemaal per week een warme maaltijd kregen, aangevoerd in metalen (schone) vuilnisemmers. Het was een soort stamppot, vaak met mais maar erg lekker. We konden zoveel eten als we wilden maar mochten niets meenemen naar huis, waar onze ouders hongerig zaten te wachten om onze pannetjes uit te schrapen.

Dus, toen ik met mijn vader naar Haarlem liep om de bevrijding te gaan vieren, was onze conditie al iets verbeterd. We stonden daar in een grote   opeengepakte massa van allemaal vrolijke mensen. Opeens was er commotie bij de trappen naar het bordes van het stadhuis. Een groep uitgelaten jongemannen sleepte een hevig tegenstribbelende vrouw de trap op. Ze leek me van middelbare leeftijd. Ze verzette zich krachtig, maar gaf het op toen ze op het bordes stond. Ze stond rechtop, tegen de balustrade geklemd, met haar gezicht naar de menigte en sloot haar ogen. Een van de jongemannen duwde een soort palmtak in haar hand en dwong haar naar de mensen te zwaaien. Toen begon het kaalscheren.

Achter mij hoorde ik mijn vader praten met een andere heer. Ik hoorde afschuw in hun stemmen en verontwaardiging. Hij pakte me bij de hand en we gingen terug naar huis. Toch vreemd dat ik mij ook van onze terugtocht of van een gesprek helemaal niets kan herinneren. Het beeld van de gebeurtenis op het bordes zit als een haarscherpe foto al 65 jaar in mijn hoofd.

 
Tijdlijn
  • 1943
  • 1944
  • 1945
  • 1946
  • 1947
  • 1930 - 1939
  • 1940 - 1949
  • 1950 - 1959
  • 1990 - 1999
  •