Ze waren nauwelijks zichtbaar door de onafzienbare stoet dofgroene voertuigen, motoren, jeeps, tanks, die er zich stapvoets over voort bewoog. Bestoft waren ze, bemand door bestofte en vermoeid ogende Canadese militairen, die toch nog kans zagen te lachen en te zwaaien naar de juichende mensenmenigte.
Ze werden daarin bijgestaan door jonge vrouwen die zich een plaats hadden weten te veroveren op de legervoertuigen. Waarom die stoet zo eindeloos leek, begon langzaam door te dringen: hij draaide rondjes en je begon de gezichten te herkennen!
Met mijn vader, een vriendje en een vriendinnetje (wij waren nog geen zeven jaar) had ik een poos staan kijken naar het nooit eerder vertoonde schouwspel. Toen mijn vader het wel voor gezien hield en huiswaarts keerde, mochten wij nog wat blijven.
Maar al gauw, nu ver van het ouderlijk gezag, besloten wij het trapje naar de kade af te dalen. Daar lagen een paar schuiten waarin, dacht ik, kolen waren vervoerd. Het was natuurlijk erg verleidelijk om te proberen erop te komen.
Bovendien was ’t gunstig, dat niemand enige aandacht aan ons besteedde. Meegesleept door de durf van het vriendje waagde ik ook de overstap van kade naar schip. Maar het begon langzaam te bewegen en in paniek poogde ik terug te stappen op de kade. De afstand bleek al te groot en ik kwam letterlijk tussen wal en schip. Gelukkig, oh wonder, kon ik de walkant nog grijpen. Zwemmen kon ik niet.
Angstig begonnen wij om hulp te roepen. Boven al het gejuich uit, drong het tot slechts enkele mensen op de kademuur door. Die draaiden zich lachend naar ons om en riepen (hoe onbegrijpelijk en hard ik dat vond!):’Roep je Canadees maar!’
Toen kwam daar plotseling, zo snel hij kon, een man met een wandelstok aangehinkt. Het lukte hem mij aan mijn armen uit het water te hijsen. Daar stond ik, druipend op de kant. Met behulp van zijn wandelstok wist hij vervolgens de schuit zover naar de kant te trekken, dat mijn vriendje veilig de overstap kon maken.
Ik herinner mij niet, of er nog woorden zijn gewisselnd tussen ons en onze redder. Vriendje en vriendinnetje gingen er snel vandoor. Wel weet ik dat ik nog een poos in de zon ben gaan staan in een vruchteloze poging droog te worden. Zo hoopte ik dat mijn ouders niets zouden merken van mijn gevaarlijke gedrag.
Toen ik uiteindelijk thuiskwam, zei mijn moeder dan ook geschrokken:’Kind, je bent helemaal nat!’
Zo herinner ik mij mijn Bevrijdingsdag in Delft.























































































