Ik was achttien en met buurtbewoners danste ik eindeloos lang maar steeds vol overgave de hoky-poky in een steeds groeiende kring. Zelfs de dominee deed mee. Dat gebeurde in het centrum van Leiden, zonder straatverlichting. Ik had me verkleed: blauwe rok, witte bloes en rode blazer. Een oranje kokarde completeerde mijn uiting van vaderlandsliefde.
Uitgeput kwam ik die avond laat thuis en ik at op de rand van mijn bed een door mij uitgespaarde, witte, Zweedse boterham en viel heel tevreden in een droomloze slaap.
De volgende dag ging ik in mijn feestkleding naar de Breestraat om het bevrijdingsfeest mee te maken. Een woedende menigte versperde me de weg en moest ik meemaken hoe onze overburen, die ‘fout’ waren geweest, gedwongen werden hun huis te verlaten. Zulke taferelen had ik al eens eerder meegemaakt, maar toen waren Duitsers of NSB’ers de eisers. Een gevoel van walging overviel me, ook al haatte ik die buren, omdat ze onze muren hadden vol gekladderd met: HIER HEERST DE ENGELSE ZIEKTE.
Ik worstelde me uit de massale oploop en bereikte de Breestraat, waar zich lange rijen mensen hadden verzameld, die keken naar een optocht met boerenkarren. Deze werden getrokken door stevige mannen met grote borden om hun nek, waarop, slordig gekalkt, stond: IK BEN EEN LANDVERRADER!! Zelfs schandpalen op die karren ontbraken niet.
De volksoploop brulde en joelde bij elke nieuwe kar en smeet straatvuil naar de nu machteloze figuren op de karren. Ik vond het een afschuwelijk schouwspel. Is dit vrede? vroeg ik me af en op de weg terug bedacht ik dat het eindexamen van de Haanstraschool met rasse schreden zou naderen. Op de lijst van het verplichte opstel zou vast het onderwerp Vrede staan, bedacht ik.
Toen klampte zich plotseling een wanhopig uitziend meisje me aan Ze smeekte me om haar achtervolgers, gewapend met scharen en stokken, te bezweren dat zij zich nooit met Duitsers had ingelaten. Ze klemde zich angstig aan me vast en hoewel ik het wicht absoluut niet kende, kwam ik onmiddellijk in actie. Ik schreeuwde tegen de oprukkende menigte, dat dit meisje zich daar niet aan schuldig had gemaakt, sloeg een beschermende arm om haar heen, duwde haar langzaam de Diefsteeg in en siste: ‘Wegwezen!’ Ik had gehoord dat alle ‘moffenmeiden’ kaal geschoren zouden worden. En dat leek me een afschuwelijke vernedering, dus loog ik. Nu nog hoop ik dat ze daaraan is ontsnapt…
Op de terugweg kwam ik een klasgenoot tegen. De straat was overvloedig versierd met rood,wit en blauw, de vlaggen wapperden vrolijk in de wind en de wereld lachte me weer toe, vooral toen de klasgenoot me uitnodigde voor een feestje bij haar thuis. Haar moeder had nog zelfgemaakt appelsap uit de boomgaard en ik ging dus graag op haar uitnodiging in. Vooral de appelsap lokte.
De dag van het eindexamen Nederlands brak aan en vol enthousiasme stortte ik me op het onderwerp: ja, VREDE! Binnen een uur was ik klaar; ik las het over maar kreeg al lezend een gevoel van wanhoop: ik had het niet over VREDE maar over ONVREDE gehad!
Ik verscheurde het geschrevene en in een half uur beschreef ik mijn ware gevoelens: de verkrachting van het woord ‘VREDE’ Ik kreeg er een tien voor.























































































