Op die ochtend krijgen alle kinderen opeens vrij. De klassenzuster stuurt ons naar huis naar onze moeder. Ik voel dat het ongewoon is,het is te vroeg om naar huis te gaan. Mijn buurkinderen en ik steken over en bellen aan bij ons huis. Er wordt voor geen van ons opengedaan. Moeder niet thuis! Hoe kan dat nu? Er is geen paniek en niemand van ons huilt.
Wij gaan naar de enige vrouw die wel thuis is; tante Ciska een Duitse vrouw van middelbare leeftijd die bij ons op het rijtje woont. Zij opent het zijraam van haar erker en vertelt ons dat onze moeders allemaal naar de Utrechtseweg zijn gegaan, om de Canadezen te verwelkomen.
Hun komst wordt verwacht, wij weten ervan en ons groepje (5) gaat op weg. Blindelings lopen wij door de straten tot in de armen van onze moeders,die verbaasd zijn en in het geval van mijn moeder licht verontwaardigd. Zij vindt dat de zusters ons niet naar huis hadden mogen sturen.
De herinnering van wat ik dan zie, heb ik geprobeerd zo zuiver mogelijk te bewaren.
Ik zie mensen aan beide zijden van de weg enkele rijen dik. Het is stil, de mensen wachten af, dan komt van rechts de eerste tank aanrijden, de koepel is open er staat een soldaat met donker haar rechtop in, hij heeft een koptelefoon op en kijkt oplettend in de richting Driebergen. In stilte rijden de tanks over de weg en mijn moeder zegt: ‘er wordt nog gevochten’.
Vooral de tocht door de straten is een sterke herinnering, met allen die in mijn leven belangrijk waren en zijn heb ik deze tocht gelopen en mij er telkenmale over verwonderd; wij waren zulke dappere kinderen.























































































