Een ontmoeting aan de grens met verwanten van die zijde werd opgeluisterd met een Hitlergroet. Iets waar mijn ouders wars van waren. Later, bij de inval in Nederland, vond de parmantige intocht plaats van de stevig gedrilde Germanen die keurig in uniform marcherend onze gebieden kwamen bezetten en de macht overnamen.
Naarmate de duur van de bezetting voortschreed werden de kwalijke aspecten van het Herrenvolk in bezet gebied steeds meer duidelijk. Joodse inwoners werden, overeenkomstig het dienstbevel, door een autochtone gerechtsdienaar opgebracht. De amper nog in gebruik zijnde synagoge moest het ontgelden en werd afgebroken.
Kapelaan Penders die zich actief bezig hield met het ondersteunen van de illegaliteit werd, tezamen met anderen, opgepakt en gedeporteerd en is niet teruggekeerd. De voorzichtigheid nam toe en de argwaan niet minder. Zo merkte mijn vader op dat de huisschilder, die tegenover ons woonde, een wat vreemde en weinig actieve indruk maakte. Hij twijfelde of de buurman in een voorkomende situatie werk zou gunnen.
De landing van de geallieerden in Normandie bracht een versterking teweeg van de hoop op een spoedig wegnemen van het Duitse juk. Elke dag die de bezetting langer duurde, was er één teveel. Naast de geruchten en berichten in de krant waren er ook andere aspecten die de hoop voedden.
Er verschenen tekenen in de vorm van meer activiteiten van de Britse en Amerikaanse luchtmacht die steeds frequenter overkwamen. Ook bij de bezetter viel er het nodige aan activiteiten te bespeuren. Als zestienjarige zag ik in augustus 1944 de zo gevreesde bezetter wegtrekken. Gezeten op de spatborden van auto’s, in de laadbakken en waar al niet, om bij het geringste geluid van een vliegtuig er af en er uit te springen om veiligheid en dekking te zoeken in de greppels langs de weg. Dat maakte mijn dagelijkse fietstocht naar de middelbare school in Maastricht tot een avontuurlijke belevenis die soms op waaghalzerij leek.
De burgerbevolking vermoedde en verwachtte dat er iets stond te gebeuren.
De spanning nam geluidloos toe. Op 14 september vertoonde zich niemand op straat en het was doodstil. Plotseling verschenen er, als uit het niets, enkele pantserwagens met Amerikanen. De bevolking kwam uit hun onderkomen om hun bevrijders te zien en toe te juichen.
Het staat mij nog helder voor de geest hoe ik de pakjes sigaretten als een fel begeerd object in ogenschouw nam; bruin getinte pakjes met het opschrift Philip Morris. Onze bevrijders waren jonge goden. Goed doorvoed, fit, gezond, als van een andere betere wereld! Ze werden enthousiast ontvangen, begroet, omhelsd en van alle mogelijke ondersteuning voorzien. Eén daarvan was huisvesting. Bij ons werd de Amerikaanse kolonel Scott ondergebracht.
Onze overbuurman de schilder verscheen met een Engelse piloot op straat. Hij bleek bovendien twee joodse echtparen in huis te hebben. Vandaar zijn voorzichtige, weinig actieve gedrag. Vreugde alom. Er werd volop gefeest en het vrouwelijk schoon viel als een blok voor de bevrijders.























































































