Op vrijdagmiddag 13 april hoorden we de kanonnen voor het eerst. Het werd steeds luider. We gingen ’s middags naar de winkel om broden te kopen, die waren daar nog te krijgen. Het was redelijk druk in de winkel. Ik weet niet eens meer hoe we dat kochten. Op straat hing een rare sfeer, dat weet ik nog wel.
’s Avonds begon het schieten langs de Paterswoldseweg. Eerst hadden we niet zo in de gaten wat er gebeurde. De enige veilige plek was in de keuken achterin de hoek. We hadden op dat moment geen idee waar op geschoten werd. Mijn vader moest naar het toilet en kwam terug en zei: de kogel kwam vlak langs me. Later zagen we dat de kogels door het raam waren gegaan, dat een deel van de boekenkast was verbrand en dat het theeservies aan gruzelementen was.
De Canadezen kwamen vanaf het zuiden en zij schoten alle erkers van de huizen af aan de Paterswoldseweg, maar dat zagen we pas de volgende dag. Toen was er nog geen sprake van gevechten in de binnenstad. De volgende dag liepen we naar buiten en we dachten: we zijn bevrijd. Iedereen ging de straat op, maar we bleven wel dichtbij de trap van het huis. Toen er plotseling werd geschoten vanuit een Duitse ziekenauto vluchtte iedereen in paniek de huizen weer in. Bij ons stonden wildvreemde mensen in de gang te wachten tot zij dachten dat het weer veilig was. Wie op wie schoot wist je niet.
Aan het eind van de dag kwamen de Canadese tanks. Zij gingen op onderzoek uit in de scholen tegenover ons, waar de Duitsers nu weg waren. Het was een soort hospitaal geweest. Er was veel drank. Die Canadese soldaten kwamen ’s avonds dronken het huis in stommelen, de trap op en zij wilden meisjes zien. Wij zaten daar doodsbenauwd boven. Iemand haalde een officier erbij, die ze weer meenam. De tanks stonden nog voor de deur, toen de Canadese artillerie de binnenstad en de noordkant van Groningen begon te beschieten.
De volgende dag, zondag de 15e, waren de tanks weg. Op het Herenplein waren ze aan het vechten. Soldaten renden langs de huizen, heel surrealistisch. Er stonden wel meer mensen te kijken. In de binnenstad waren grote branden ontstaan. Winkels brandden helemaal uit.
Moeder was bang voor ons huis in Assen en wilde daar naartoe. Ze zei: ‘We gaan er op de fiets heen’. Er waren vrouwen van zeelieden van de Kriegsmarine in ons huis getrokken, wisten we. Over de Paterswoldseweg fietsten moeder en ik op houten banden naar het zuiden. Op de plek waar de Canadese artillerie Groningen had beschoten, waren Canadezen nu bezig hun doden te begraven. Op een weiland was een begrafenisdienst met een chaplain. En met muziek, denk ik.
Toen de ceremonie was afgelopen gingen we op de fiets naar Vries. Daar stond zomaar ineens oom Siem midden op de straat. Hij was de baas van het verzet. De Duitsers hadden hem opgepakt, maar hij kon vluchten. Iemand die hij vertrouwde had hem in de schuilkelder onder het huis onderdak gegeven. Daar zaten al twee mannen, die het bloed op zijn rug moesten stelpen, anders was hij doodgebloed. Hij is later verborgen onder een lading turf op een kar verder gevlucht.
Bij Rhee kwam ons een auto achterop rijden. Dat was vreemd. Het was een brandweerwagen uit Assen, die had geholpen om de branden in Groningen te blussen. Wij konden meerijden. Ze brachten ons tot voor de deur in de Alteveerstraat. Daar was het een chaos. Het hele huis zat vol met witte muizen. Met een grote schep werd de rommel naar buiten gegooid.
De volgende ochtend ging ik naar mijn werk in het gemeentehuis. Er waren maar een paar mensen. De sfeer was ellendig. Twee collega’s waren omgekomen in concentratiekamp Neuengamme. Er lagen nog boeken van de NSB. Ik heb nog een heel mooie boekenlegger meegenomen, in de NSB-kleuren, zwart en rood; die heb ik niet meer. ’s Avonds was een dankdienst in de kerk in Assen; het programma heb ik nog wel.























































































