Noordoost-Groningen lag onder vuur van Borkum. Delfzijl en omgeving werden zwaar getroffen. In ons dorp was één inslag geweest. Daarbij was een dode gevallen. Zakken stonden tegen de muren van ons huis: aardappelzakken vol klei moesten ons beschermen.
Toen het vuur heviger werd, vertrokken we, op de fiets. Mijn ouders durfden niet langer te blijven. Mijn broertje en ik zaten achterop tijdens de rit naar Groningen waar de beide opa’s woonden.
De lucht was grauw en het was koud die dag. In het dorp zagen we de eerste Canadezen, die in de voortuin van het voorhuis van een boerderij een kanon opgesteld hadden. Mijn ouders stopten niet, ze reden door, gehaast. Het was stil in het dorp. Er waren geen mensen op straat.
Uithuizen, Usquert, Warffum, Baflo, Winsum, Sauwerd en Adorp waren uitgestorven. Halverwege de rit, in Ranum waar de weg naar Zoutkamp en die naar Roodeschool samenkwamen, zijn we afgestapt. Daar aten we roggebrood met spek. We liepen verkleumd rond. Ver weg zagen we in de lucht rook drijven. Brandde de stad?
In Groningen kregen we onderdak in de Amalia van Solmsstraat bij mijn opa van vaders kant. Op het kruispunt van de Nassaulaan en de Prinsesseweg waren in het plaveisel grote voren door de tanks getrokken.
Een van die dagen in Groningen ben ik door mijn andere opa opgehaald die me op een lange wandeling de verwoestingen in de stad heeft laten zien. Op de A-brug waren padvinders die ons over de kapotte brug brachten. Op de Vismarkt zag ik de voorgevel van herenmodezaak Meyering die nog overeind stond in bergen puin. In het Sterrebos hingen helmen op geweren die met de loop in de grond staken waar Duitse soldaten voorlopig begraven waren. In het Verbindingskanaal lagen halfgezonken boten. Er was een bunker in het Noorderplantsoen waar we niet in mochten.
Onenigheid tussen vader en opa dwong ons tot vertrek uit Groningen. Weer terug in Uithuizermeeden stond ik op de dag van de bevrijding ‘s avonds tussen de mensen naast vader, midden in het dorp. Ik keek naar hem op. Hij schoot een lichtkogel af; het rode licht gloeide in de donkere lucht en doofde onder gejuich.
Later hebben we aan de Tuinbouwweg in de schuur van Lanting met alle buren aan een lange tafel gegeten, gezongen en feest gevierd.
Niet dat ik er op uitgestuurd werd, maar toen we bevrijd waren, ging ik naar het station waar de Canadezen gelegerd waren. Alle jongens vroegen er om sigrits en tsjoklat. We hingen er rond tot de soldaten ons iets gaven. Ik kreeg een keer eipoeder in blik. Het gebakken ei smaakte niet als ei. Ik spaarde onderscheidingsstukken; ik had een dubbele v, gelig op groen - van een sergeant?
Er was een bevrijdingsoptocht. Op boerenwagens waren huiselijke taferelen uitgebeeld. Ik zag moeder achter een spinnewiel.Of was het een wastobbe? Ze droeg een hoofddoek. Ieder lachte. Ik heb er nog foto’s van. Kiekjes van zes bij negen.























































































