Op 15 februari 1945 bracht mijn moeder (44 jaar) mij op de fiets van Amsterdam naar Leiden om de volgende dag weer terug te fietsen. Het was een eindeloze, koude tocht en ik werd helemaal stijf in het stoeltje achterop.
Ik was heel gelukkig bij mijn tante en oom en werd volledig in het gezin opgenomen. In de koude voorkamer lagen appels en bloembollen op kranten op het parket. De studeerkamer van mijn oom was een heiligdom waar wij niet in mochten, alleen een enkele keer om ‘goedenacht’ te zeggen.
De dagen gingen verder en er verschenen vliegtuigen boven de stad, die in de weilanden voedsel uitwierpen. We aten de eerste chocolade in paars papier verpakt. Er was een blijde stemming in het huis, zeker toen duidelijk werd dat de oorlog was afgelopen. De vlag ging uit.
Maar tegen het middaguur op 5 mei klonk geschreeuw bij de voordeur. Wij kinderen werden door mijn tante en het dienstmeisje weggestuurd. Het geschreeuw nam toe. Een volksmenigte wilde mijn oom arresteren, omdat hij Duitsgezind zou zijn geweest. Jaloers ziekenhuispersoneel had voor dit voorval gezorgd. Hij had vriendelijk met de door hem geopereerde Duitse patiënten in het ziekenhuis gesproken. De herrie hield enige tijd aan en mijn oom beet fel van zich af. Opeens was het rustig en ging er een gejuich op. De voordeur ging weer dicht en mijn oom en tante verschenen aan tafel.
Wat was er gebeurd? Op het hoogtepunt van de rel hadden enkele verzetsleiders de menigte tot kalmte gemaand. Zij legden uit dat de volkswoede zich keerde tegen een arts die gewonde verzetsstrijders opereerde in een speciaal operatiekamertje. Dit kamertje bevond op de eerste verdieping boven de hal. En was alleen toegankelijk via een verborgen deur in de studeerkamer, het verboden heiligdom!
Mijn oom werd bij zijn werk geassisteerd door zijn hoofdverpleegster van de operatieafdeling van het ziekenhuis. Niemand in het ziekenhuis wist af van deze activiteiten, die bij ontdekking fatale gevolgen voor hem en zijn huisgenoten zouden gehad hebben.
De volgende dagen gingen wij naar het park om de Canadezen te zien en mocht ik even in een pantserwagen zitten. Het stonk er naar een zure olieachtige zweetlucht, maar het was geweldig. Op 2 juni arriveerde mijn moeder met de boot uit Amsterdam en mocht ik haar met het dienstmeisje en mijn oudste nichtje afhalen op de kade bij de Zijlpoort. Na de volgende dag met acht kaarsjes op de taart mijn verjaardag gevierd te hebben, voeren mijn moeder en ik terug naar Amsterdam.























































































