We verbleven al enkele dagen met elf mensen - mannen, vrouwen en kinderen, in de kelder van de bakkerij van de familie Dikkers in Holten, waar ik in de Hongerwinter naar toe was gesmokkeld door mijn vader. We mochten alleen even naar boven, als we heel nodig naar het toilet moesten.
Na een stilte van een paar uur brak opeens de hel los. Een huis naast ons werd door granaten getroffen en ging in vlammen op. De bewoners konden ternauwernood hun huis ontvluchten.
Plotseling hoorden we glasgerinkel, de winkelruit was ingeslagen. We hoorden snelle voetstappen in de gang ,de kelderdeur werd opengetrokken en er stonden twee zwaarbewapende Duitsers boven aan de trap, die brood eisten.
Hendrik , ik noem hem mijn pleegvader, gaf hun twee broden en weg waren ze. Misschien een kwartier later hoorden we weer voetstappen en staat er opeens een Duitse soldaat boven aan de trap van, ik schat een jaar of zeventien. Ik zat onderaan de trap en onze blikken kruisten elkaar. Hij glimlachte flauwtjes, ik zag hem denken: ‘kon ik maar bij jullie blijven’.
Zijn maten stonden natuurlijk buiten te wachten. Ik zal dit nimmer vergeten. Wat brood en weg was hij.
Een half uur later hoorden we opeens een tank op ons huis aanrollen. Ik was verstijfd van angst. Even later hoorden we Engels sprekende stemmen. De deur ging open en……daar stonden twee Canadezen met getrokken revolvers. ‘Stick up your hands!’luidde het bevel. Ik rende huilend de trap op en greep hun handen beet. Zij glimlachten en zagen dat er geen gevaar was.
Buiten kwamen Duitse soldaten met de handen omhoog uit een paar woonhuizen, waar ze zich verstopt hadden en werden weggeleid door Canadezen. Ze werden uitgescholden door sommige mensen, maar daar deed ik niet aan mee. Ik moest denken aan die jonge Duitser boven aan de trap, die misschien vier jaar ouder was dan ik.
Een dag later moesten vier huilende meisjes, die een Duitser als vriend hadden, op het bordes van het Gemeentehuis ‘Oranje boven’ zingen, terwijl een paar nieuwbakken BS’ers met hun machinepistolen in hun rug stonden te prikken. Een van de leiders van het ondergronds verzet maakte hier een eind aan. Hij was hevig verontwaardigd.
Een paar dagen later werd er ‘s avonds uitbundig feest gevierd op straat. Ik ben toen vroeg mijn bed ingekropen en huilend in slaap gevallen, omdat ik er geen idee van had of mijn ouders in Den Haag nog in leven waren.
In Holten heb ik een geweldig tweede ouderlijk huis had gevonden in Hendrik, de bakker, en Johanna zijn zuster. Ik ben er nog vele malen geweest en heb nog steeds contact met de nazaten. Of ik door de Canadezen ben geïnfecteerd weet ik niet, maar ik ben Engels gaan studeren en ben inmiddels gepensioneerd leraar Engels. Tijdens de 60-jarige herdenking op het Canadese kerkhof in Holten liep ik druk te babbelen met Canadezen. Een van hun journalisten sleepte mij mee naar de camera. Later hoorde ik van mijn dochters vriendin dat zij mij in Canada op het nieuws had gezien.























































































