Zij hadden andere persoonsbewijzen gekregen met een andere naam en zonder een ‘J’ van jood erin. Overdag was er, een oudere man, Gompie, wiens echte naam ik nooit gehoord heb. Tijdens de bezetting vroeg je daar niet naar en na de bevrijding had je daar geen tijd voor. Je keek vooruit, niet achterom.
Mijn vader was keel-, neus- en oorarts en had ‘s middags praktijk aan huis. De afgelopen maanden waren er maar weinig patiënten gekomen. Sommigen van hen bleven heel lang. Later hoorde ik dat het leden van de Binnenlandse Strijdkrachten geweest waren, die met vader overlegden hoe te handelen bij een gezagsvacuüm na het vertrek van de bezetters.
Vader werkte ’s morgens in het Wilhelmina Gasthuis. Tijdens de middagmaaltijd zorgden de verpleegsters voor opgewekte kout met de daar aanwezige Duitse officieren. Dan kon iemand anders in de kelder veilig naar Radio Oranje luisteren. Hoop hield de mensen overeind.
Gedurende de koude wintermaanden werd thuis alleen in de grote zonnige achterkamer op de eerste verdieping ’s middags om twaalf uur de buiskachel aangestoken. Daarop werd de lauwe ondefinieerbare hap uit de gaarkeuken op temperatuur gebracht en later het avondeten gekookt. Na de maaltijd ging er geen brandstof meer op het vuur. Wie het koud kreeg ging naar bed.
4 mei. Gompie ging na het eten weg om nog voor de avondklok van acht uur op zijn onverwarmde zolderkamer ergens in de Rivierenbuurt te zijn. Moeder was beneden bezig. We mochten van vader de vlag nog niet buiten hangen.
Een uurtje later konden wij de eetkamer in. Bij de deur stond Ans’ moeder, stralend en met uitgestrekte hand. Nu kon zij zich eindelijk weer met haar eigen naam voorstellen.
De tafel was gedekt: wij kregen een extra maaltijd. Speciaal voor deze gelegenheid had moeder al die maanden iets extra’s bewaard. Wat het was herinner ik me niet meer, maar in elk geval geen suikerbiet en geen tulpenbol.
Ans en haar Moeder vertrokken twee dagen later om zich bij hun vader en echtgenoot te voegen, die elders in de stad was ondergedoken. Gompie bezat kind noch kraai. Hij bleef de hele zomer bij ons komen en maakte zich nuttig met huishoudelijk werk. Af en toe zat hij lekker in de zon op het keukentrapje met steeds weer een stukje papier aan zijn onderlip gekleefd, de illusie van een sigaretje . Toen ik op een middag thuiskwam wenkte hij mij blij de keuken in. Hij hield een halfvol glazen potje omhoog. Het waren een paar olijven, die de honger hadden overleefd. Het was de eerste olijf, die ik ooit proefde.
Nadat de Canadezen over de Berlagebrug de stad waren binnen gereden, de vlaggen uitgestoken waren en er geen avondklok meer was, drong het besef pas goed door. In de binnenstad werd op vrijwel elke hoek van elke straat gehost en gedanst op alles wat maar geluid kon voortbrengen.
Toen ik dit later aan mijn ruim dertigjarige zoon vertelde vroeg hij met lichte verbazing: Waarom werden er geen grote feesten georganiseerd ? Het was nog niet tot hem doorgedrongen dat er nog geen elektriciteit was, noch benzine, auto’s, trams en treinen. Of iets om mee te klinken, of op te trakteren. Het duurde nog een aantal weken voordat dat alles op gang kwam.























































































