Mijn directe chef was Ir. de la Houssaye (later onderscheiden). Hij vond op de zolder van de PTT Oranje verzetskrantjes die ik rond zou brengen. De chef adviseerde mij om ziekteverlof aan te vragen en te verdwijnen. Ik vertrok naar Overijssel om op een boerderij te verblijven, waar ik ondergedoken vliegeniers leerde kennen. Ik wilde inmiddels mijn MOA-diploma Engels halen. Zo kon ik bij de bibliotheek Engelse boeken halen die natuurlijk juist bedoeld waren voor de ondergedoken vliegeniers. Met de vliegeniers praatte ik en ook bracht ik ze regelmatig naar een andere boerderij.
In de winter van 1943 kreeg ik difterie. De dokter constateerde dit, maar deed er niets aan. Op een gegeven moment kon ik niet meer lopen en was tijdelijk verlamd. De bevrijding: tja, het feest ervan heb ik dus eigenlijk fysiek niet mee kunnen maken. Toen we eind 1944 werden bevrijd, met het idee dat er daarna een snelle opmars was naar de rest van Nederland (maar zoals we weten stopte dit in Arnhem), werd ik met paard en wagen naar een feest in Raalte gereden om toch even te kijken. Sigaretten en chocola: dat weet ik nog wel.
Na de bevrijding van het westen van Nederland ben ik met de auto van de Binnenlandse Strijdkrachten terug geëvacueerd naar Rijswijk, naar mijn familie. Ik ben goed aangekomen maar was ook daar te laat voor de feesten. Het feest van de bevrijding heb ik dan wel gemist maar gelukkig waren we wel bevrijd!























































































